Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16-03-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1910, 24/7294, 24/7295
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16-03-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1910, 24/7294, 24/7295
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 16 maart 2026
- Datum publicatie
- 23 maart 2026
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1910
- Zaaknummer
- 24/7294, 24/7295
- Relevante informatie
- Art. 120 GW, GW, Art. 2.10 Wet IB 2001, Art. 14 EVRM, EVRM, Art. 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Parijs, 20-03-1952 [Tekst geldig vanaf 01-11-1998], Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Parijs, 20-03-1952 [Tekst geldig vanaf 01-11-1998], Art. 26 BUPO, BUPO
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting, tariefmaatregel, beroepen ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/7294, 24/7295
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 13 september 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2021 en 2022 aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar de volgende inkomens:
|
Belastbaar inkomen uit werk en woning |
Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang |
|
|
2021 |
€ 105.855 |
€ 1.000.000 |
|
2022 |
€ 47.420 |
- |
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV 2021 en 2022. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende voor het jaar 2021 niet-ontvankelijk verklaard en behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering voor het jaar 2021 afgewezen en het bezwaar voor het jaar 2022 ongegrond verklaard.
Partijen hebben ingestemd met het overslaan van de bezwaarfase (prorogatie) voor zover het beroep de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering betreft. Belanghebbende heeft verklaard dat het beroep niet is gericht tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar voor het jaar 2021.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende en namens de inspecteur [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Na het sluiten van het onderzoek heeft de rechtbank het aangetekend verzonden verweerschrift ongeopend retour ontvangen met de vermelding “Niet afgehaald; retour afzender”. De rechtbank heeft het verweerschrift nogmaals per gewone post aan belanghebbende verzonden. Verder heeft de rechtbank belanghebbende op 19 februari 2026 verzocht om te laten weten of hij behoefte heeft aan een schriftelijke reactie of een nadere zitting naar aanleiding van het verweerschrift. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat als zij geen reactie ontvangt, zij ervan uitgaat dat zij uitspraak kan doen zonder dat een schriftelijke reactie of zitting plaatsvindt. Belanghebbende heeft op die brief niet gereageerd. Om die reden doet de rechtbank uitspraak zonder nadere schriftelijke ronde of zitting.
Belanghebbende heeft na de zitting een nader stuk ingediend op 16 en 17 februari 2026 waarin hij melding maakt van een mogelijk datalek. De rechtbank heeft daarin geen aanleiding gezien voor heropening van het onderzoek, omdat het de inhoudelijke behandeling van de zaak niet raakt. Verder heeft de rechtbank belanghebbende op 19 februari 2026 geïnformeerd dat geen sprake is van een datalek bij de rechtbank en er na overleg met de Privacy Officer geen melding zal worden gedaan.