Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-01-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:277, BRE 24/6969

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-01-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:277, BRE 24/6969

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22 januari 2026
Datum publicatie
28 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:277
Zaaknummer
BRE 24/6969
Relevante informatie
Art. 13d Wet Vpb 1969, Art. 15ab Wet Vpb 1969

Inhoudsindicatie

Belanghebbende is vanaf 1 april 2018 als moedermaatschappij met BV 1 gevoegd in een fiscale eenheid voor de Vpb. Belanghebbende wenst een liquidatieverlies in aanmerking te nemen ter zake van de liquidatie van de Ltd. De bewijslast om het in aanmerking te nemen liquidatieverlies overtuigend aan te tonen rust op belanghebbende. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de onderneming van de Ltd nog niet geheel of nagenoeg geheel gestaakt was op het moment dat BV1 in de fiscale eenheid werd gevoegd. Een liquidatieverlies zou daarom alleen in aftrek kunnen worden gebracht voor zover de winst van de fiscale eenheid is toe te rekenen aan BV1. BV1 heeft in 2019 echter een negatief resultaat behaald, zodat het liquidatieverlies niet in 2019 in aftrek kan worden gebracht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 24/6969

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 januari 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. L.G.L.M. van Well),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 17 september 2024.

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende als moedermaatschappij van de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (Vpb) voor het jaar 2019 een aanslag Vpb opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 510.302.

1.2.

Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 23.734 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) berekend over de periode 1 juli 2020 tot en met 9 december 2023.

1.3.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.A.J. Rooyakkers en de gemachtigde van belanghebbende vergezeld door drs. [persoon 1] en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , drs. [inspecteur 3] en mr. [inspecteur 4] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag Vpb 2019 niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of belanghebbende een liquidatieverlies in aanmerking mocht nemen. Verder beoordeelt de rechtbank of de belastingrentebeschikking tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

2.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag Vpb 2019 niet tot een te hoog bedrag vastgesteld. Belanghebbende mocht geen liquidatieverlies in aanmerking nemen. Verder is de belastingrentebeschikking tot een te hoog bedrag vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

Motivering

Conclusie en gevolgen

Beslissing

Informatie over hoger beroep