Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-02-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:969, BRE 24/8454

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-02-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:969, BRE 24/8454

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
9 februari 2026
Datum publicatie
19 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:969
Zaaknummer
BRE 24/8454

Inhoudsindicatie

Belanghebbende is 100% aandeelhouder in A BV en is met A BV gevoegd in een fiscale eenheid voor de Vpb. A BV is de enige beherend vennoot in A CV. In 2017 is A BV ook de enige commanditaire vennoot in A CV geworden. A CV had een rekening-courantschuld aan het tot dezelfde groep als belanghebbende behorende B BV. In het kader van het faillissement van B BV heeft de curator een akte van cessie gesloten met A BV met betrekking tot de rekening-courant, waarbij A BV de vordering heeft overgenomen. Door de overdracht van het commanditaire belang aan A BV is van een samenwerkingsverband geen sprake meer. Als gevolg van de akte van cessie is A BV zowel schuldeiser als schuldenaar geworden ten aanzien van de rekening-courantschuld. Dit brengt mee dat de verbintenis door schuldvermenging teniet is gegaan. De rekening-courantschuld is hierdoor vrijgevallen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een informele kapitaalstorting. Belanghebbende heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een onzakelijke lening, bodelozeputlening, deelnemerschapslening of een lening in de zin van artikel 10b van de Wet Vpb. De inspecteur heeft het bij de vrijval van de schuld opkomende voordeel terecht als kwijtscheldingswinst in aanmerking genomen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 24/8454

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. R.J. Verbrugge),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 november 2024.

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 597.571 (de aanslag). Daarbij is de belastbare winst vastgesteld (na toepassing van de kwijtscheldingswinstvrijstelling) op € 5.328.024 verminderd met het verlies uit andere jaren ad € 4.730.453. Het verlies is vervolgens vastgesteld op € 0 (de verliesverrekeningsbeschikking).

1.2.

Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 33.428 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

1.3.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [naam 1] , [naam 2] en de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] , mr. [inspecteur 4] .

Beoordeling door de rechtbank

Feiten

Motivering

Conclusie en gevolgen

Beslissing

Informatie over hoger beroep