Home

Raad van State, 22-05-2002, AE2829, 200105434/1

Raad van State, 22-05-2002, AE2829, 200105434/1

Uitspraak

200105434/1.

Datum uitspraak: 22 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant 1] en [appellant 2], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2000, kenmerk SB/Mil/RJS/nd/2000/2290, hebben verweerders aan appellanten een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op ƒ 500,00 (€ 226,89) per week dat ten aanzien van de op het perceel [locatie] gelegen ondergrondse opslagtank niet wordt voldaan aan artikel 18, vierde lid, van het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 (hierna: het Besluit) en aan de hoofdstukken II, voorschriften 1 en 4, III en IV van bijlage VI, behorende bij het Besluit. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op ƒ 5.000,00 (€ 2.268,90). De begunstigingstermijn eindigt vier maanden na de bekendmaking van het besluit. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 11 september 2001, verzonden op 19 september 2001, hebben verweerders het tegen het besluit van 6 oktober 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dit besluit herroepen in die zin dat dit wordt gebaseerd op artikel 13 van het Besluit. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 5 oktober 2001, bij de arrondissementsrechtbank te Haarlem ingekomen op 8 oktober 2001, beroep ingesteld. Deze brief is ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 november 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 december 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2002, waar appellanten, van wie [appellant 1] in persoon en bijgestaan door mr. Th.J. Douma, advocaat te Haarlem, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. G.N. van Vuure en K. Sigharian Asl, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Voordat op het bezwaar van appellanten tegen het besluit van

6 oktober 2000 was beslist, hebben verweerders bij besluit van 24 januari 2001 dit besluit ingetrokken. De reden voor deze intrekking is blijkens de stukken gelegen in de omstandigheid dat appellanten binnen de in het besluit in primo opgenomen begunstigingstermijn hebben voldaan aan de in dat besluit omschreven last. Bij brief van 5 februari 2001 hebben appellanten verweerders verzocht toch een beslissing op hun bezwaar tegen het besluit in primo te nemen, omdat zij van mening zijn dat dit besluit onrechtmatig was en zij aanspraak maken op vergoeding van hun schade.

2.2. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is het gestelde procesbelang van appellanten bij een oordeel van de Afdeling over de rechtmatigheid van het bestreden besluit van 11 september 2001 alleen gelegen in een veroordeling van verweerders in de volledige kosten van rechtsbijstand die zij hebben gemaakt in verband met de oplegging van de last onder dwangsom. De Afdeling verstaat dit aldus dat het gestelde procesbelang van appellanten in dit kader niet slechts is gelegen in een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), maar eveneens in een veroordeling tot de vergoeding van de volgens hen geleden schade op grond van artikel 8:73 van de Awb, bestaande uit de kosten van rechtsbijstand, voorzover deze de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht te boven gaan en de kosten van rechtsbijstand die appellanten hebben gemaakt in het kader van de bezwaarschriftenprocedure.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling - bijvoorbeeld de uitspraak van 23 januari 1997, H01.96.0476 (JB 1997/46) - vormt de vraag of een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep over te gaan. Artikel 8:75 van de Awb stelt niet de eis dat de partij die in de proceskosten wordt veroordeeld in het ongelijk is gesteld. Indien, afgezien van de vraag of aanleiding bestaat om tot een proceskostenveroordeling over te gaan, geen belang meer bestaat bij een beoordeling van het bestreden besluit dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot de vraag of een procesbelang is gelegen in een veroordeling in kosten van rechtsbijstand van het onderhavige beroep die de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht te boven gaan, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 oktober 2000, no. 199900286/1 (JB 2000/234), moet uit de plaats en de strekking van artikel 8:75 van de Awb worden afgeleid dat hiermee een exclusieve mogelijkheid aan de bestuursrechter wordt geboden om een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor een vergoeding van deze kosten langs de weg van artikel 8:73 van de Awb is om die reden geen plaats. In een zodanige veroordeling kan derhalve geen belang bij een uitspraak over de rechtmatigheid van het bestreden besluit zijn gelegen.

Ten aanzien van de vraag of een procesbelang is gelegen in een veroordeling in kosten van rechtsbijstand die zijn gemaakt in het kader van de bezwaarschriftenprocedure voorafgaand aan het bestreden besluit, overweegt de Afdeling het volgende. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraken van 8 december 1997, no. E03.97.0568 (BR 1998, p. 519) en van 18 november 1999, no. H01.99.0100 (JB 2000/9), dienen, gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet van 16 december 1993,

Stb. 650, de in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in beginsel voor rekening van de belanghebbende te blijven en kunnen deze slechts in bijzondere gevallen langs de weg van artikel 8:73 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 7 juni 1999, H01.97.0449 (aangehecht), geoordeeld dat sprake is van een bijzonder geval, indien verweerders ernstig verwijtbaar zouden hebben gehandeld. Dit zou het geval zijn indien zij tegen beter weten in onrechtmatige besluiten zouden hebben genomen. Gezien de stukken is van een dergelijk geval geen sprake. Gelet hierop kan ook in een veroordeling in deze kosten geen belang bij een uitspraak over de rechtmatigheid van het bestreden besluit zijn gelegen.

Nu ook overigens niet is gebleken dat appellanten nog enig procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit, is het beroep niet-ontvankelijk.

2.3. Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, in welk geval, ook indien het beroep is ingetrokken, met toepassing van artikel 8:75a van de Awb een proceskostenveroordeling mogelijk is.

Van tegemoetkomen is in het onderhavige geval evenwel geen sprake. Evenmin is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het niet toekennen van een proceskostenveroordeling apert onbillijk zou zijn. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Kuipers

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002

271-407.