Home

Raad van State, 16-06-2004, AP1595, 200304768/1

Raad van State, 16-06-2004, AP1595, 200304768/1

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16 juni 2004
Datum publicatie
16 juni 2004
ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AP1595
Zaaknummer
200304768/1
Relevante informatie
Wet op de Ruimtelijke Ordening [Tekst geldig vanaf 01-07-2008] [Regeling ingetrokken per 2008-07-01], Wet op de Ruimtelijke Ordening [Tekst geldig vanaf 01-07-2008] [Regeling ingetrokken per 2008-07-01] art. 11, Algemene wet bestuursrecht [Tekst geldig vanaf 01-06-2023 tot 01-07-2023], Algemene wet bestuursrecht [Tekst geldig vanaf 01-06-2023 tot 01-07-2023] art. 3:2

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Urk het uitwerkingsplan “Het uitwerkingsplan ex artikel 11 Wro, noordwestelijk deel van fase 2 van het bestemmingsplan ‘De Staart’“ vastgesteld.

Uitspraak

200304768/1.

Datum uitspraak: 16 juni 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Flevoland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Urk het uitwerkingsplan “Het uitwerkingsplan ex artikel 11 Wro, noordwestelijk deel van fase 2 van het bestemmingsplan ‘De Staart’“ vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 20 mei 2003, kenmerk ROV/03.040692/L, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 18 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 augustus 2003.

Bij brief van 7 oktober 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2004, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en verweerder, vertegenwoordigd door D.C.J.M. Wellink, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar het college van burgemeester en wethouders van Urk, vertegenwoordigd door ing. H.K. Wethmar, ing. P.J. Woudstra en L. Ras, allen ambtenaar van de gemeente, gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 18 februari 2004 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak verder behandeld op de zitting van 29 april 2004, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, is verschenen. Voorts is daar het college van burgemeester en wethouders van Urk, vertegenwoordigd door ing. H.K. Wethmar, en ing. P.J. Woudstra, beiden ambtenaar van de gemeente, en door mr. drs. P.J. Woudstra en ing. K.T. Stroop, beiden gemachtigden, gehoord. Verweerder is, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan betreft een uitwerking van het in 1993 door de gemeenteraad van Urk vastgestelde en door verweerder goedgekeurde bestemmingsplan “De Staart” (hierna: het bestemmingsplan) en voorziet onder meer in de bouw van 35 woningen en in de aanleg van een ontsluitingsweg naar de Staartweg.

2.3. Appellant, die ten noorden van het plangebied een kippenbedrijf (hierna: het bedrijf) exploiteert, stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover gelegen binnen de stankcirkel van zijn bedrijf. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat bij zijn bedrijf, op grond van de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996 (hierna: de richtlijn), een stankcirkel hoort van 600 meter en niet een cirkel van 500 meter gemeten vanuit het hart van het bedrijf. Appellant voorziet als gevolg hiervan belemmeringen in zijn bedrijfsvoering en een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de bewoners van de te bouwen woonwijk.

2.4. Het college van burgemeester en wethouders is van mening dat het plan voldoet aan de uitwerkingsregels van artikel 3, onder D, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan.

Als reactie op het deskundigenbericht heeft het college een rapport laten opstellen door Buro Vijn B.V., no. 663/PJW/FB/hs, 17 maart 2004.

Het college stelt, onder verwijzing naar dit rapport, dat in het deskundigenbericht ten onrechte gebruik is gemaakt van de geëxtrapoleerde afstandsgrafiek van het rapport “Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij” (Publikatiereeks Lucht no. 46, hierna: het rapport), zonder daarbij de in het rapport opgenomen rekenregels in zijn geheel toe te passen.

2.5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitwerking van het in rechtsoverweging 2.4. genoemde artikelonderdeel verplicht is. Het bestemmingsplan is onherroepelijk geworden en daarin zijn reeds alle relevante belangen afgewogen. In het bestemmingsplan was op het plandeel reeds de bestemming “(uit te werken) Woondoeleinden” gelegd. Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft aan het plan goedkeuring verleend.

2.6. Voorzover appellant heeft aangevoerd dat hij als gevolg van het plan belemmeringen in zijn bedrijfsvoering kan ondervinden, overweegt de Afdeling dat appellant destijds niet tegen de goedkeuring van het bestemmingsplan in beroep is gekomen. Gelet hierop is in deze procedure slechts de vraag aan de orde of het plan tot gevolg heeft dat een in redelijkheid aanvaardbaar te achten woon- en leefklimaat voor de bewoners van de woonwijk kan ontstaan.

2.7. Het college van burgemeester en wethouders heeft, voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van stankhinder van het bedrijf de brochure Veehouderij en Hinderwet en de richtlijn toegepast.

In de richtlijn zijn de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten met betrekking tot de wijze van afstandsmeting bij enkelvoudige stankhinder neergelegd. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 17 juli 1998 (no. E03.97.0892; JM 1998/112). Volgens de richtlijn moet de afstand bij enkelvoudige stankhinder gemeten worden vanaf het dichtst bij het gevoelige object gelegen emissiepunt.

Nu het in dit geding gaat over de vraag of feitelijk sprake zal zijn van een te aanvaarden woon- en leefklimaat en niet te verwachten is dat het bedrijf in de richting van het plangebied zal kunnen uitbreiden, ziet de Afdeling aanleiding te oordelen dat in dit geval vanaf het emissiepunt moet worden gemeten.

Het bedrijf beschikt over mechanisch geventileerde stallen. Volgens de richtlijn is het emissiepunt in dat geval de dichtst bijgelegen ventilatie-uitlaat. Voor het bedrijf is dit de meest zuidelijk gelegen ventilatie-uitlaat op de nok van de meest zuidwestelijk gelegen stal.

2.8. Niet in geschil is dat het veebestand van het bedrijf, omgerekend op basis van de in bijlage 1 behorende bij de richtlijn opgenomen omrekeningsfactoren, bestaat uit 4875 mestvarkeneenheden.

Volgens de richtlijn geeft de afstandsgrafiek, opgenomen in bijlage 3 van de richtlijn, de minimale afstand aan, afhankelijk van het aantal mestvarkeneenheden, die moet worden aangehouden tussen een stankgevoelig object en een veehouderij oftewel inrichting.

Deze afstandsgrafiek heeft slechts betrekking op inrichtingen met maximaal 2500 mestvarkeneenheden. In haar uitspraak van 5 september 2001 (no. 199900597/2; JM 2001/145), heeft de Afdeling geoordeeld dat voor de beoordeling van de afstand tussen een stankgevoelig object en een inrichting van 2500 of meer mestvarkeneenheden de geëxtrapoleerde afstandsgrafiek van het rapport (hierna: de geëxtrapoleerde afstandsgrafiek) gehanteerd kan worden. Dit betekent echter niet, zoals het college van burgemeester en wethouders heeft gesteld, dat de rekenregels van de richtlijn, bij de bepaling van enkelvoudige stankhinder door inrichtingen met een dergelijke omvang, ook voor het overige door de rekenregels van het rapport moeten worden vervangen. De door het college ingenomen stelling zou onder meer tot gevolg hebben dat van een minder strenge norm voor de beoordeling van enkelvoudige stankhinder wordt uitgegaan dan uit de toepassing van de richtlijn volgt.

Gelet op het voorgaande hoort, op grond van de geëxtrapoleerde afstandsgrafiek, bij een veebestand van 4875 mestvarkeneenheden, een afstand van 600 meter. Voor een deel van het plangebied is mitsdien zodanige stankhinder te verwachten dat niet meer van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gesproken.

2.9. Het toepassen van uitwerkingsregels die zijn neergelegd in het bestemmingsplan is een verplichting. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen ertoe leiden dat aan deze verplichting kan worden voorbijgegaan. Het voorgaande brengt met zich dat door het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan de aanvaardbaarheid van de bestemming “(uit te werken) Woondoeleinden” in beginsel als een gegeven moet worden beschouwd. Deze verplichting tot uitwerking neemt niet weg dat bij de inrichting van het uitwerkingsplan zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden met het belang van de bewoners van de woonwijk bij een goed woon- en leefklimaat. Naar het oordeel van de Afdeling had het op de weg van het college van burgemeester en wethouders gelegen onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden om het uitwerkingsplan op een zodanige wijze in te richten, dat niet wordt voorzien in de mogelijkheid bebouwing op te richten binnen een afstand van 600 meter, gemeten vanaf de meest zuidelijk gelegen ventilatie-uitlaat op de nok van de meest zuidwestelijk gelegen stal op het perceel van appellant. Verweerder heeft dit miskend.

In verband hiermee is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, niet met de nodige zorgvuldigheid is voorbereid. Derhalve is het beroep van appellant gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het deel van het plan dat gelegen is binnen een afstand van 600 meter, gemeten vanaf de meest zuidelijk gelegen ventilatie-uitlaat op de nok van de meest zuidwestelijk gelegen stal op het perceel van appellant.

2.10. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Flevoland van 20 mei 2003, ROV/03.040692/L, voorzover het betreft het deel van het plan dat gelegen is binnen een afstand van 600 meter, gemeten vanaf de meest zuidelijk gelegen ventilatie-uitlaat op de nok van de meest zuidwestelijk gelegen stal op het perceel van appellant, zoals nader is aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Flevoland in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1216,90, waarvan een gedeelte groot € 966,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de provincie Flevoland te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de provincie Flevoland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2004

218-449.