Home

Raad van State, 02-12-2009, BK5070, 200902020/1/H2

Raad van State, 02-12-2009, BK5070, 200902020/1/H2

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2003 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie; hierna: de minister) de huursubsidie van [appellant] over het jaar 1999-2000 gewijzigd van € 2.842,48 in € 2.499,42 en een bedrag van € 343,06 teruggevorderd.

Uitspraak

200902020/1/H2.

Datum uitspraak: 2 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 maart 2009 in zaak nr. 07/3279 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2003 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie; hierna: de minister) de huursubsidie van [appellant] over het jaar 1999-2000 gewijzigd van € 2.842,48 in € 2.499,42 en een bedrag van € 343,06 teruggevorderd.

Bij besluit van 3 februari 2004 heeft de minister het besluit van 10 juli 2003 herzien in verband met de wijziging van de huurprijs, de huursubsidie van [appellant] over het jaar 1999-2000 opnieuw vastgesteld op € 2.499,42 en opnieuw een bedrag van € 343,06 teruggevorderd.

Bij besluit van 4 oktober 2007, herzien bij besluit van 14 maart 2008, heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 maart 2009, verzonden op 3 maart 2009, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 april 2009.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2009, waar [appellant], in persoon, is verschenen.

2. Overwegingen

Vaststelling van de huursubsidie

2.1. Bij de wet van 23 juni 2005 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; Stb. 2005, 343) zijn onder meer de artikelen 4, 15, 26 en 36 van de Huursubsidiewet (hierna: Hsw) komen te vervallen en de artikelen 1 en 2 van de Hsw gewijzigd. De wijzigingswet is met ingang van 1 september 2005 van kracht en geldt voor subsidietijdvakken, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Nu het subsidietijdvak waarop voormeld besluit ziet vóór 1 januari 2006 is aangevangen, zijn de oude bepalingen van toepassing.

Ingevolge artikel 1a, zesde lid, van de Hsw bepaalt de inspecteur, onder wie de huurder of de medebewoners krachtens artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ressorteren voor de heffing van de inkomstenbelasting, op verzoek van de minister het gecorrigeerde verzamelinkomen of het gecorrigeerde belastbare loon in het peiljaar van de desbetreffende huurder of medebewoners.

Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, voor zover van belang, wordt onder inkomen verstaan, het belastbaar inkomen, bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, over het peiljaar.

Ingevolge artikel 33, eerste lid, zijn de huurder en de medebewoners verplicht uit eigen beweging aan de minister onmiddellijk alle inlichtingen te verstrekken waarover zij redelijkerwijs kunnen beschikken, en die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de huursubsidie.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, kan de minister de toekenning herzien, als huursubsidie is toegekend in afwijking van deze wet of de daarop berustende bepalingen.

Ingevolge het tweede lid, kan aan een besluit als bedoeld in het eerste lid terugwerkende kracht worden verleend over ten hoogste vijf subsidietijdvakken, voorafgaande aan het lopende subsidietijdvak:

a. als de door de huurder of de medebewoners verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn geweest, dat een ander besluit zou zijn genomen indien de juiste of volledige gegevens bij de minister bekend zouden zijn geweest;

b. […] of

c. als de huurder redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de huursubsidie ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge het derde lid kan de ten onrechte of te veel uitbetaalde huursubsidie van de huurder worden teruggevorderd, of worden verrekend met aanspraken op huursubsidie van de huurder. De minister stelt de hoogte van het terug te vorderen of te verrekenen bedrag en de wijze van terugvordering of verrekening vast.

2.2. De minister heeft de huursubsidie van [appellant] over het jaar 1999-2000 gewijzigd van € 2.842,48 in € 2.499,42 en een bedrag van € 343,06 teruggevorderd, omdat uit nieuwe gegevens van de Belastingdienst zou zijn gebleken dat het gezamenlijk inkomen over het jaar 1998 niet, als door [appellant] opgegeven, € 14.149,78, maar € 15.363,09 bedraagt, waarvan een belastbaar inkomen van € 14.173,72 van [appellant] en een belastbaar inkomen van zijn [vrouw] (hierna: [echtgenote]) van € 1.190,72. Dit gezamenlijk inkomen leidt tot een rekeninkomen van € 14.895,34.

Het besluit op bezwaar van 14 maart 2008 strekt tot handhaving van dat besluit. Daarbij is aangegeven dat bij dat besluit is uitgegaan van een gecorrigeerd belastbaar inkomen van [echtgenote] van € 721,97.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich heeft mogen baseren op de door de Belastingdienst aan hem verstrekte gegevens. Daartoe betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de door hem overgelegde Inkomensverklaring IB60 van [echtgenote], waarop is aangegeven dat geen gegevens meer aanwezig zijn over het jaar 1998. Als daaruit niet is af te leiden dat de belastingdienst het inkomen van [echtgenote] over 1998 heeft gecorrigeerd, dan kan in ieder geval niet aan [appellant] en [echtgenote] worden aangerekend dat zij niet meer kunnen aantonen dat de Belastingdienst het inkomen heeft gecorrigeerd, nu de Belastingdienst de gegevens slechts vijf jaar bewaart, aldus [appellant].

2.3.1. Uit de door [appellant] aan de minister overgelegde verklaring inkomstenbelasting van [appellant] over het jaar 1998 die de Belastingdienst hem bij brief van 21 januari 2004 heeft toegezonden, blijkt dat zijn belastbaar inkomen € 14.173 bedroeg. Met betrekking tot het inkomen van [echtgenote] in 1998 heeft [appellant] zich in zijn brieven van 22 juli en 20 december 2003 op het standpunt gesteld dat [echtgenote] in 1998 een uitkering heeft gehad van € 1.190,72, maar dat bij het bepalen van het inkomen van [echtgenote] geen rekening is gehouden met de vaste aftrekpost van € 468,75. Ook uit de bij de brief van [appellant] van 20 december 2003 gevoegde verklaring inkomstenbelasting over het jaar 1998 van [echtgenote] blijkt dat haar belastbaar inkomen € 1.190 bedroeg. De minister is bij de wijziging en terugvordering van huursubsidie uitgegaan van een belastbaar inkomen voor [appellant] van € 14.173 en een inkomen van [echtgenote] van € 1.190 en heeft bij de bepaling van het rekeninkomen van €14.895,34 een bedrag van € 468,75 op het gezamenlijk inkomen in mindering gebracht. De door [appellant] in eerste instantie aan de minister verstrekte en door de minister gebruikte inkomensgegevens komen dan ook overeen met de gegevens die de minister heeft ontvangen van de Belastingdienst.

[appellant] heeft zich eerst in 2004, na ontvangst van een door hem opgevraagd IB60 formulier van de Belastingdienst met betrekking tot het inkomen van [echtgenote] waarop is vermeld dat geen gegevens meer beschikbaar zijn, op het standpunt gesteld dat [echtgenote] in 1998 geen inkomen heeft genoten en dat uit het in 2004 overgelegde IB60 formulier blijkt dat de belastingdienst het inkomen van [echtgenote] heeft gecorrigeerd. Dat bij de Belastingdienst na vijf jaren na het desbetreffende tijdvak geen gegevens meer aanwezig zijn van het inkomen van [echtgenote] maakt evenwel niet dat om die reden moet worden aangenomen dat haar inkomen over 1998 door de Belastingdienst is gecorrigeerd. Dat [appellant], voor zover hij meende dat de Belastingdienst ten onrechte een in een gift omgezette lening heeft meegeteld bij het belastbaar inkomen, de Belastingdienst niet voor het verstrijken van de bewaartermijn van vijf jaar heeft verzocht om correctie van het inkomen van [echtgenote], komt voor zijn rekening, nu hij reeds na ontvangst van het besluit van 10 juli 2003 wist dat de minister uitging van de desbetreffende inkomensgegevens. Anders dan [appellant] meent, kan ten slotte uit de door [appellant] overgelegde Aanslag Inkomstenbelasting 1998, waarop is vermeld een belastingvrij bedrag van ƒ 16.824,00 (€ 7.634,40) in tariefgroep 3, niet worden afgeleid dat [echtgenote] over 1998 geen inkomen heeft genoten, maar slechts dat haar inkomen over dat jaar het bedrag van € 7.634,40 niet te boven is gegaan.

Gelet hierop heeft de rechtbank dan ook terecht overwogen dat de minister van de juistheid van een door de Belastingdienst vastgesteld inkomen uit mocht gaan bij de vaststelling van de hoogte van de huursubsidie. Het betoog faalt.

2.4. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de minister de wettelijke termijnen en vereisten heeft nageleefd bij de behandeling van zijn bezwaarschrift berust op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak en mist derhalve feitelijke grondslag. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het niet-tijdig nemen van het besluit op bezwaar op zich zelf geen reden is om dat besluit te vernietigen, nu de Algemene wet bestuursrecht aan het overschrijden van de termijn voor het nemen van een besluit op bezwaar niet die consequentie verbindt.

2.5. Het hoger beroep van [appellant] voor zover gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de over het jaar 1999-2000 door de minister gewijzigd vastgestelde en teruggevorderde huursubsidie is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

Overschrijding van de redelijke termijn

2.6. [appellant] heeft in eerste aanleg en in hoger beroep aangevoerd dat de minister niet tijdig heeft beslist op het door hem ingediende bezwaar en gesteld dat hij vergoeding van door hem geleden schade wenst. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] nader aangegeven dat hij gefrustreerd raakte door de onredelijk lange duur van de behandeling van zijn bezwaar.

2.6.1. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat zij onbevoegd is om over het verzoek om immateriële schadevergoeding te oordelen nu zij in dat verzoek, gelet op hetgeen door [appellant] ter zake is aangevoerd, een verzoek om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) had dienen te lezen en de beoordeling van een dergelijk verzoek niet afhankelijk is van nadere besluitvorming van de minister.

2.6.2. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, zaak nr. 30979/96, AB 2001, 86 en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006, 134).

2.6.3. In gevallen zoals deze, waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is geschonden, dient de rechtbank daarover op basis van de voormelde voor de behandeling van het bezwaar en het beroep gestelde termijnen haar oordeel te geven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 3 juni 2009 (zaak nr. 200804819/1/H2), geldt bij die beoordeling dat de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep tezamen niet meer dan drie jaar mag duren en dat een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling. Sedert de ontvangst door de minister van het bezwaarschrift van [appellant] op 22 juli 2003 tegen het besluit van 10 juli 2003, zijn ten tijde van de uitspraak van de rechtbank vijf jaar en ruim 8 maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden.

2.6.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 6 juni 2007 (zaak nr. 200608140/1), volgt uit de jurisprudentie van het EHRM, onder meer de uitspraak van 29 maart 2006, Pizzati tegen Italië, (nr. 62361/00, JB 2006, 134), dat bij overschrijding van de redelijke termijn voor het nemen van een besluit, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Het gaat in deze procedure evenwel om een gering bedrag, waarover [appellant] in ieder geval tot na het besluit op bezwaar kon blijven beschikken, ook al had hij daar geen recht op. Gelet hierop dit voordeel acht de Afdeling een schadevergoeding van € 500,00 redelijk. De Afdeling stelt de door [appellant] geleden schade ten gevolge van het overschrijden van de redelijke termijn dan ook vast op € 500,00.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank niet heeft geoordeeld over de door [appellant] geleden immateriële schade ten gevolge van het overschrijden van de redelijke termijn door de minister bij het beslissen op het door hem gemaakte bezwaar. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de minister, met toepassing van artikel 8:73 van de Awb, veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,00 aan [appellant], als vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade.

2.8. Nu het besluit van 14 maart 2008 in stand blijft, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 maart 2009 in zaak nr. 07/3279, voor zover de rechtbank heeft nagelaten te beslissen op het verzoek van [appellant] om vergoeding van door hem geleden schade;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. bepaalt dat de minister aan [appellant] een bedrag van € 500,00 betaalt;

V. gelast dat de minister voor Wonen, Wijken en Integratie aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 368,00 (zegge: driehonderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009

362.