Home

Raad van State, 24-03-2010, BL8720, 200907060/1/H3

Raad van State, 24-03-2010, BL8720, 200907060/1/H3

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 januari 2009 is [wederpartij] gelast de woning aan [locatie] te Arnhem onmiddellijk te verlaten en deze woning voor een periode van tien dagen niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden. Daarbij is [wederpartij] voorts verboden om gedurende deze periode contact op te nemen met de in de woning woonachtige vrouw en kinderen. Bij besluit van 27 januari 2009 heeft de burgemeester het huisverbod met achttien dagen verlengd.

Uitspraak

200907060/1/H3.

Datum uitspraak: 24 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van Arnhem,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 augustus 2009 in zaken nrs. 181700/09-10476 en 182773/09-10753 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Arnhem,

en

de burgemeester.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2009 is [wederpartij] gelast de woning aan [locatie] te Arnhem onmiddellijk te verlaten en deze woning voor een periode van tien dagen niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden. Daarbij is [wederpartij] voorts verboden om gedurende deze periode contact op te nemen met de in de woning woonachtige vrouw en kinderen. Bij besluit van 27 januari 2009 heeft de burgemeester het huisverbod met achttien dagen verlengd.

Bij besluit van 2 februari 2009 heeft de burgemeester het besluit van 27 januari 2009 ingetrokken.

Bij uitspraak van 5 augustus 2009, verzonden op 6 augustus 2009, heeft de rechtbank Arnhem de door [wederpartij] tegen de besluiten van 17 januari 2009 en 27 januari 2009 ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 9 oktober 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2010, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.J. Tunnissen, advocaat te Arnhem, en mr. M.H.W. van Loo, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. E. Klijn, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van een of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven, of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, voor zover thans van belang, kan de burgemeester van de bevoegdheden en taken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, mandaat verlenen aan de hulpofficier van justitie.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit tijdelijk huisverbod (hierna: Bth) betrekt de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd uitsluitend de in de bijlage bij dat besluit opgenomen feiten en omstandigheden.

Deze feiten en omstandigheden hebben betrekking op:

a. de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen;

b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en

c. de leefomstandigheden van de persoon, bedoeld onder a, en degenen die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Onder de feiten en omstandigheden, bedoeld onder a, worden mede begrepen de politiegegevens met betrekking tot de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen, voor zover de burgemeester deze gegevens behoeft in het kader van zijn afweging.

2.2. Bij besluit van 15 december 2008 (hierna: het mandaatsbesluit), heeft de burgemeester ondertekeningsmandaat verleend aan iedere bij de politieregio Gelderland Midden werkzame hulpofficier van justitie voor het schriftelijk afdoen en ondertekenen van een door de burgemeester genomen besluit tot het opleggen van een huisverbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wth.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat het verlenen van ondertekeningsmandaat door de burgemeester inhoudt dat de burgemeester een door hem genomen besluit schriftelijk mag laten afdoen en ondertekenen door de mandataris, in dit geval de hulpofficier van justitie, maar dat wel vereist is dat een besluit van de burgemeester aan deze afdoening door de hulpofficier ten grondslag ligt. Namens de burgemeester is verklaard dat hij op 17 januari 2009 telefonisch aan de desbetreffende hulpofficier van justitie heeft meegedeeld [wederpartij] een huisverbod op te leggen. Deze beslissing is niet anders op schrift gesteld dan bij het besluit van 17 januari 2009. Naar het oordeel van de rechtbank klemt het ontbreken van een kenbaar besluit van de burgemeester zelf in dit geval te meer daar het opleggen van een huisverbod, waarvan overtreding op de voet van artikel 11 van de Wth als misdrijf strafbaar is, een vergaande maatregel inhoudt. Nu geen schriftelijke neerslag van de beslissing van de burgemeester bestaat anders dan bij het besluit van 17 januari 2009, een ingevuld voorgedrukt formulier, ondertekend door de hulpofficier, dient ervan te worden uitgegaan dat dit besluit in strijd met artikel 2 van de Wth niet door de burgemeester is genomen, op grond waarvan het voor vernietiging in aanmerking komt, aldus de rechtbank. Ook het verlengingsbesluit komt volgens de rechtbank voor vernietiging in aanmerking, omdat het op een onrechtmatig huisverbod is gebaseerd en daarom rechtsgrondslag ontbeert.

2.4. De burgemeester betoogt dat de rechtbank met dit oordeel heeft miskend dat zijn beslissing tot het opleggen van een huisverbod aan [wederpartij] in een door de hulpofficier van justitie op ambtseed opgemaakt en ondertekend proces-verbaal van bevindingen van 17 januari 2009 is neergelegd. Hij stelt dat het daarmee mogelijk is na te gaan of, wanneer en op welke wijze hij die beslissing heeft genomen.

2.4.1. Het betoog slaagt. Zoals ook wordt gesteld in de memorie van toelichting op artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb; Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 36), moet een beslissing uit een schriftelijk stuk kenbaar zijn om aan de definitie van een besluit in artikel 1:3 van de Awb te voldoen. Door de vermelding in het proces-verbaal van 17 januari 2009 dat in overleg met en met toestemming van de burgemeester een huisverbod aan [wederpartij] is opgelegd, is kenbaar dat de burgemeester tot het opleggen van het huisverbod heeft besloten. Gelet op de aard van het huisverbod, dat altijd in spoedeisende situaties wordt toegepast, en in aanmerking nemende dat, zoals de burgemeester onbestreden heeft gesteld, volgens een vaste werkwijze voorafgaand aan het opleggen van een huisverbod overleg tussen hem en de hulpofficier van justitie plaatsvindt, waarbij de burgemeester beslist of een huisverbod wordt opgelegd, acht de Afdeling het voldoende dat die beslissing uit het proces-verbaal van de officier van justitie kenbaar is.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van [wederpartij] tegen de besluiten van 17 januari 2009 en 27 januari 2009 behandelen.

2.6. [wederpartij] betoogt dat de hulpofficier van justitie niet bevoegd was het besluit van 17 januari 2009 te ondertekenen, aangezien het mandaatsbesluit niet op het gemeentehuis ter inzage heeft gelegen en daarom niet op de juiste wijze is bekendgemaakt.

2.6.1. Het betoog slaagt niet. Zoals de Afdeling eerder (uitspraak van 2 november 2000, in zaak nr. E03.99.0375, aangehecht) heeft overwogen, is het voldoende indien een mandaatsbesluit overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bekendgemaakt door uitreiking of toezending aan de mandataris, omdat het besluit primair tot hem is gericht. Nu de hulpofficier van justitie in het besluit van 17 januari 2009 van het ondertekeningsmandaat gebruik heeft gemaakt, moet ervan worden uitgegaan dat hij van het mandaatsbesluit in kennis is gesteld. Nu het mandaatsbesluit niet onrechtmatig is, moet worden geconcludeerd dat het besluit van 17 januari 2009 niet onbevoegd is genomen.

2.7. [wederpartij] betoogt dat de hulpofficier van justitie het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG), waarop het besluit tot het opleggen van het huisverbod mede is gebaseerd, niet correct heeft ingevuld. Ook is volgens hem op 17 januari 2009 ten onrechte geen melding bij de piketcentrale gedaan en is hem daardoor toegang tot de rechtshulp onthouden.

2.7.1. Zoals de Afdeling eerder (uitspraak van 17 februari 2010, in zaak nr. 200902749/1) heeft overwogen, eist de Wth het invullen van het RiHG niet en is het RiHG slechts een hulpmiddel ten behoeve van de te maken afweging door de burgemeester bij de beantwoording van de vraag of aan de condities van artikel 2 van de Wth wordt voldaan. In artikel 2 van het Bth en de daarbij behorende bijlage is bepaald welke feiten en omstandigheden de burgemeester dient te betrekken bij een besluit om op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth een huisverbod op te leggen. De aan het besluit van 17 januari 2009 ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden sluiten voldoende aan bij de in artikel 2 van het Bth en de daarbij behorende bijlage genoemde feiten en omstandigheden. Deze feiten en omstandigheden zijn door [wederpartij] niet bestreden en zijn op zichzelf voldoende om tot de oplegging van een huisverbod te besluiten.

De burgemeester heeft in het verweerschrift in beroep onweersproken gesteld dat de hulpofficier van justitie [wederpartij] op 17 januari 2009 heeft gewezen op de mogelijkheid van juridische bijstand door een raadsman, maar dat [wederpartij] te kennen heeft gegeven dat hij daarvan geen gebruik wenste te maken. De Afdeling vermag niet in te zien dat de hulpofficier, zoals de gemachtigde van [wederpartij] ter zitting bij de Afdeling heeft betoogd, desondanks gehouden was een piketadvocaat in te schakelen, opdat [wederpartij] in overleg met die advocaat kon beslissen of hij van zijn diensten gebruik wilde maken. Het betoog slaagt niet.

2.8. [wederpartij] voert verder aan dat bij de besluiten tot het opleggen en het verlengen van het huisverbod niet voldoende gelegenheid voor hoor en wederhoor is geboden. Ook heeft volgens hem bij de beide besluiten geen juiste belangenafweging plaatsgevonden, omdat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat hij een rijschool met kantoor aan huis heeft. Bovendien is volgens [wederpartij] bij het besluit om het huisverbod te verlengen ten onrechte geen belang gehecht aan de omstandigheid dat hij reeds uit andere hoofde in verzekering was gesteld.

2.8.1. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat niet is voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit het proces-verbaal van de hulpofficier van justitie blijkt dat hij op 17 januari 2009 met [wederpartij], de echtgenote en twee familieleden van [wederpartij] heeft gesproken voordat hij tot het invullen van het RiHG is overgegaan. Voorts blijkt uit het proces-verbaal dat de hulpofficier van justitie het voornemen tot het opleggen van een huisverbod aan [wederpartij] heeft kenbaar gemaakt en dat [wederpartij] daarbij in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze op dat voornemen naar voren te brengen. In het proces-verbaal is vermeld hoe de zienswijze van [wederpartij] luidde.

Verder heeft de burgemeester in het verweerschrift in beroep onbestreden gesteld dat [wederpartij] ook voorafgaand aan het besluit van 27 januari 2009 in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze op het voornemen om tot verlenging van het huisverbod over te gaan, naar voren te brengen.

2.8.2. Zoals volgt uit hetgeen onder 2.7.1 is overwogen, blijkt uit de aan het besluit van 17 januari 2009 ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden dat ten tijde van het opleggen van het huisverbod de aanwezigheid van [wederpartij] in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van zijn huisgenoten opleverde dan wel dat een ernstig vermoeden van dit gevaar bestond.

Aan het verlengingsbesluit heeft de burgemeester onder meer ten grondslag gelegd dat [wederpartij] ondanks het huisverbod contact had gezocht met zijn vrouw en haar daarbij had bedreigd. Gelet op dit handelen van [wederpartij] heeft de burgemeester zich op het standpunt mogen stellen dat de dreiging van gevaar voor de huisgenoten van [wederpartij] zich op 27 januari 2009 nog voortzette. Dat de hulpverlening toen nog niet adequaat was, zoals [wederpartij] heeft betoogd, kan, wat daarvan ook zij, niet leiden tot het oordeel dat de burgemeester om die reden in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om het huisverbod te verlengen.

Van een onjuiste belangenafweging bij de besluiten is niet gebleken. Gelet op de dreiging van geweld die ten tijde van de besluiten van [wederpartij] uitging, mocht de burgemeester de belangen van de huisgenoten van [wederpartij] inzake hun veiligheid zwaarder laten wegen dan het door [wederpartij] gestelde belang om van zijn kantoor aan huis gebruik te kunnen maken. Hij behoefde in de omstandigheid dat [wederpartij] op 27 januari 2009 reeds strafrechtelijk in verzekering was gesteld, geen aanleiding te zien om het huisverbod niet te verlengen, reeds omdat de burgemeester geen invloed op de duur van die inverzekeringstelling heeft. Het betoog faalt.

2.9. De beroepen zijn ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 augustus 2009 in zaken nrs. 181700/09-10476 en 182773/09-10753;

III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010

350-598.