NTFR 2002/768 - Het 'kwartje van Kok' en het kwartje van Prodi

NTFR 2002/768 - Het 'kwartje van Kok' en het kwartje van Prodi

pdAD
prof. dr. A.H.M. DanielsProf.dr. A.H.M. Daniels is werkzaam bij Ernst & Young Belastingadviseurs.
Bijgewerkt tot 6 juni 2002

In deze dagen van kabinetsformatie en politieke wensenlijstjes viel onder meer de actie van de Bovag–RAI op. Deze belangenorganisatie wil bewerkstelligen dat het zogeheten 'kwartje van Kok' wordt afgeschaft. Deze tijdelijke verhoging van de motorbrandstofaccijns levert de Nederlandse overheid volgens de Bovag per jaar circa € 750 miljoen op. Het aardige is vooral dat dit pleidooi samenvalt met het pleidooi van de Europese Commissie1 om in het nieuwe institutionele raamwerk van de Europese Unie ruimte te maken voor een eigen Europese belastingheffing, teneinde de Europese instituties van middelen te voorzien. Het Europese Parlement zou bij deze 'eurotax' een centrale rol moeten spelen. De Commissie ziet hier een parlement dat op basis van zijn democratische legitimiteit beslist over uitgaven en middelen. Hierdoor ontstaat er in de visie van de Commissie ook een 'more direct and transparent link between the people of Europe and the Community budget'. 2

De budgettaire noden van de Europese Unie

Er is geen zicht op hoe die belastingheffing eruit zou moeten zien en wat deze de burgers in de regio Nederland zou moeten kosten. Iets van de omvang kan wellicht gedestilleerd worden uit de becijferingen van het (thans demissionaire) kabinet over de kosten voor Nederland van de uitbreiding van de Europese Unie met twaalf lidstaten (in 2004 met Polen, Hongarije, Letland, Litouwen, Estland, Tsjechië, Slowakije, Slovenië, Malta en Cyprus en in 2007 en 2010 met Roemenië respectievelijk Bulgarije). Die kosten worden geschat op € 0 à 1 miljard. Als we aannemen dat het bedrag dichter bij € 1 miljard zal liggen dan bij nihil, lijkt Nederland met de teruggaaf van het 'kwartje van Kok' en de heffing van € 750.000.000 eurotax geruisloos haar deel van de uitbreiding van de EU te kunnen financieren. Dat zou dan naadloos aansluiten op het VVD–verkiezingsprogramma, waarin is aangegeven dat de relatieve nettocontributie per hoofd van de bevolking niet mag verslechteren.

Qua vorm lijkt de Europese belastingheffing over spaartegoeden niet eens zo gek. Voor een zeer groot deel is deze heffing immers 'gevonden geld', zodat het afstaan van de opbrengst aan Europa gevoelsmatig en budgettair minder pijn doet. Daarnaast doet het deugd dat de opbrengst van de heffing niet blijft hangen bij degenen die de belasting innen (Luxemburg, Oostenrijk). Ten slotte zou zo'n heffing wellicht ook recht doen aan eerdere constateringen van de Commissie dat de belastingdruk op kapitaal in de loop der jaren is verminderd en dat dit effect is gecompenseerd met een toenemende belastingdruk op arbeid. Met andere woorden, de invoering van deze belasting op kapitaal leidt tot een vermindering van de neiging heil te zoeken in indirecte heffingen en ecotaxen. Wat Europa precies met het geld gaat doen, is niet helemaal duidelijk. In eerste instantie zal het gaan om landbouwbeleid en structuurfondsen. Er is in de periode 2004–2006 volgens de Europese Commissie circa € 40 miljard nodig voor de Oost–Europese toetreders.

De Europese Conventie

De Europese Conventie, een vergaderclub van zo'n 100 politici en Europese ambtenaren, dient een blauwdruk voor te bereiden voor de nieuwe Europese Unie. Die Conventie heeft kennelijk de structuur van een black box, waar meningen worden ingestopt maar waarbij niet duidelijk is wat eruit moet komen. Staatsraad Van Mierlo, die namens de Nederlandse regering deelneemt aan de Europese Conventie, omschrijft het aldus: 'We luisteren vooral. Het is niet de bedoeling dat we nu al standpunten gaan innemen over allerlei meningen die elders worden verkondigd'. 3 Dat neemt niet weg dat Giscard d'Estaing, de voorzitter van de Europese Conventie, al in volleerd Europees jargon een 'general tendency not to call into question the overall tasks of the Union' heeft geconstateerd.

Elders worden in ieder geval twee meningen verkondigd. In de eerste plaats heeft Prodi het in de bijdrage van de Commissie aan de Europese Conventie over een 'supranational State' en een 'fully–fledged mature political entity'. Wat die 'supranationale staat' moet gaan doen, blijft onduidelijk. In geheel Europees jargon merkt Prodi op dat het nodig is om de kerntaken van de Europese Unie gezamenlijk te gaan identificeren. We vinden bij hem een vage impliciete referentie aan het 'Rijnlandmodel': 'We must remain committed to our European social model, based on dialogue and social justice'.

Hoe anders is zijn collega Frits Bolkestein in zijn bijdrage aan The Economist getiteld: 'It's the single market, stupid'. 4 Hij refereert hierin aan het doel dat de Europese regeringsleiders in Lissabon hebben vastgesteld, om van Europa tegen het jaar 2010 'de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld te maken'. De noodzaak om Europa meer concurrerend te maken, dient prioriteit te krijgen boven de belangen van bepaalde ondernemingen, maatschappelijke groepen, sectoren, regio's of landen. Daarbij geeft Bolkestein wel toe dat er een fundamenteel probleem is: de disproportionele invloed die belangengroepen kunnen uitoefenen op het besluitvormingsproces van de EU. 'We moeten afstand nemen van het "Rijnlandmodel" van kapitalisme waarin managers en werknemers de belangrijkste rol vervullen. (…) Kapitalisme is ook daadwerkelijk revolutionair. Het respecteert noch gewoonte, noch traditie, noch geslacht, noch klasse'.

De fiscaliteit in de interne markt volgens EU Commissaris Bolkestein

Voor het fiscale domein promoot Bolkestein de harmonisatie van het fiscale winstbegrip en de grensoverschrijdende consolidatie. 5 Dat biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid de fiscale verliezen ter zake van de start van nieuwe (Oost–Europese?) activiteiten af te zetten tegen de winsten gemaakt in de lidstaten. In ieder geval stelt de Commissie geen harmonisatie van tarieven voor, noch een Europese vennootschapsbelasting. De afkeer van de vaststelling van minimumtarieven6 geeft de preferentie van de Commissie voor beleidsconcurrentie tussen de lidstaten op het gebied van de belastingheffing van ondernemingen weer. Daarvoor wordt de term subsidiariteit gebruikt. Wat het institutionele kader betreft, is er een uitgesproken voorkeur voor besluiten bij gekwalificeerde meerderheid. Immers, bij een EU van 25 tot 27 lidstaten zal het mechanisme van unanimiteit tot verlamming leiden. Die keuze voor besluitvorming op basis van gekwalificeerde meerderheid wordt door Prodi gecombineerd met een open systeem van bevoegdheden: er is geen vooraf vastgesteld bevoegdheidsgebied voor de EU. Het subsidiariteitsbeginsel moet bepalen of er noodzaak en dus bevoegdheid is voor fiscale maatregelen vanuit Brussel. Om in een dergelijk institutioneel kader belastingsoevereiniteit voor de EU te vragen, lijkt wat veel gevraagd als de ideologie van Brussel beperkt is tot een Angelsaksisch georiënteerde interne markt met inkomenssteun voor de boeren. Daarnaast zijn er vier factoren aan te geven die het onwaarschijnlijk maken dat Europa zich zal ontwikkelen tot 's werelds meest concurrerende kenniseconomie. Om te beginnen is een groot verschil met de Anglo–Amerikaanse markt dat de 300 miljoen burgers in de EU 22 verschillende talen spreken. De afwezigheid van een gemeenschappelijke taal maakt het onwaarschijnlijk dat Europa een massacultuur à la de Verenigde Staten kan ontwikkelen. Daarnaast zijn er de demografische ontwikkelingen in West–Europa (vergrijzing), de toenemende economisch–culturele scheidslijnen in de steden van West–Europa en de welvaartsverschillen tussen Oost en West. Deze factoren gezamenlijk maken dat Europa's primaire problematiek wordt gevormd door de handhaving van wat wel sociale cohesie wordt genoemd.

Ruimte voor extern Europees fiscaal beleid

De tijd die rest, moet gebruikt worden om te definiëren wat voor type Unie we willen: een global player of een decent society met redelijke pensioenen voor de Europese burgers.

Juist vanwege de verschillende talen die gesproken worden, is het niet goed mogelijk een Europese politieke discussie te voeren, ook al is er een Europees parlement. Er is immers geen merkbare interactie tussen het Europese publiek en het Europese Parlement. Om in bekend taalgebruik voor fiscalisten te spreken: 'democratic substance is lacking, even if democratic forms are present'. 7

Europa slaagt er wel in de belangen van de Europese burger te beschermen bij het vormgeven van zijn externe relaties. Ik refereer aan de successen die door de EU zijn behaald bij de Wereldhandelsorganisatie, waar de Amerikaanse exportsubsidie in de vorm van Foreign Sales Corporations succesvol is bestreden als oneerlijke exportbevorderende maatregel. Ook de pogingen om met derde landen afspraken te maken over de belastingheffing over rente op banktegoeden zijn een voorbeeld van deze uitoefening van externe fiscale soevereiniteit door de EU.

Conclusie