Ga verder naar content
  1. aflevering 3, 2021

NTFR 2021/312 - Achter de gesloten deuren van de erfrechtkamer

NTFR 2021/312

NTFR 2021/312 - Achter de gesloten deuren van de erfrechtkamer

mr. M.B. Weijers LLMWeijers is werkzaam bij PNW advocaten te Amsterdam en verbonden aan UvA/ACTL.

Enige tijd geleden viel mij op dat er een uitspraak over de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet werd gedaan door een zetel die is samengesteld uit raadsheren die afkomstig zijn uit verschillende hoven (Hof Amsterdam 14 januari 2020, nr. 18/00282, NTFR 2020/2271). Het ging om een zaak van Hof Amsterdam die werd behandeld door raadsheren van respectievelijk dat hof, Hof Den Bosch en Hof Arnhem-Leeuwarden. Na een korte zoektocht op rechtspraak.nl werd duidelijk dat dit geen incident is, maar opgaat voor erf- en schenkbelastingzaken in bredere zin. Ter illustratie: over de jaren 2019 en 2020 werden op rechtspraak.nl 38 fiscale hofuitspraken gepubliceerd die betrekking op hebben op de erf- of schenkbelasting.1 In 32 van die zaken was sprake van een zetel die is samengesteld uit een vast groepje van vijf raadsheren, afkomstig van de vier hoven.

Hoewel een raadsheer van het ene hof van rechtswege plaatsvervanger is in de overige hoven,2 en daar dus ook mag rechtspreken, komt het naar mijn weten niet vaak voor dat raadsheren van verschillende hoven op structurele basis worden ‘ingevlogen’. Navraag bij de Raad voor de rechtspraak leert dat de zogenoemde landelijke erfrechtkamer een aantal jaar geleden door de belastingkamers van de hoven is ingesteld, met als achtergrond dergelijke zaken sneller op een zitting te kunnen behandelen. Er is verder niets over gepubliceerd, en in de uitspraken wordt het bestaan van de landelijke erfrechtkamer evenmin toegelicht. Dat is niet alleen opmerkelijk, het levert mogelijk ook problemen op.

Een gerecht bij wet voorzien

De informele samenstelling van de landelijke erfrechtkamer is mogelijk in strijd met het recht op een eerlijk proces zoals verankerd in onder andere art. 6 EVRM. Op grond van die bepaling heeft eenieder recht op behandeling van zijn zaak door ‘een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld’. Uit de zaak Miracle Europe KFT vs. Hongarije volgt dat dit onder meer vereist dat de toedeling van zaken aan rechters c.q. kamers zoveel mogelijk op transparante wijze plaatsvindt en, belangrijker nog, op basis van vooraf objectief geformuleerde maatstaven:

‘The order in which the individual judge or panel in charge of a certain case within a court is determined in advance, that is, an order based on general and objective principles, is essential for clarity, transparency as well as for judicial independence and impartiality.’3

Met een dergelijke wijze van zaakstoedeling wordt dus (schijn van) afhankelijkheid of partijdigheid voorkomen. Hoewel art. 6 EVRM strikt genomen niet in zuiver fiscale procedures geldt, kan het onderliggende beginsel ook los van die verdragsbepaling worden toegepast. Bovendien stellen art. 47 Handvest, art. 14 IVBPR en art. 17 GW vergelijkbare eisen.

Dat ook de Nederlandse rechtspraak zich bewust is van het belang van een transparante en op objectieve maatstaven gestoelde wijze van zaakstoedeling, blijkt uit het feit dat daarvoor op 27 januari 2020 regels zijn gesteld: de zogenoemde Code zaakstoedeling. Het uitgangspunt is in art. 4 van die Code neergelegd en luidt dat toedeling van zaken in beginsel aselect (d.w.z. willekeurig) plaatsvindt, tenzij de zaakstoedeling maatwerk vergt. Van dat laatste zal in algemene zin sprake kunnen zijn als het gaat om ‘(potentieel) geruchtmakende zaken, megazaken of zaken van bovengemiddelde zwaarte, rechtsgebied overstijgende zaken, clusters van zaken en vervolgzaken’. Een snellere behandeling ter zitting is weliswaar aan te moedigen, maar het is geen omstandigheid die afwijking van een aselecte wijze van zaakstoedeling rechtvaardigt. Dat geeft te denken over de houdbaarheid van de landelijke erfrechtkamer.

De toegevoegde waarde?

Daar komt bij dat de toegevoegde waarde van een landelijke erfrechtkamer twijfelachtig is. Uiteraard draagt specialistische kennis van de betrokken raadsheren bij aan een efficiëntere – en dus snellere – behandeling van de voorliggende zaak, maar ik zie niet in waarom dat steeds drie specialisten uit verschillende hoven zouden moeten zijn. Zeker nu de benodigde specialistische kennis in ieder van de hoven aanwezig is (zij worden immers over en weer ingevlogen), kan het gewenste resultaat ook worden bereikt door toewijzing aan één specialist en twee aselect geselecteerde raadsheren van het betreffende hof. Dat vergroot de kans dat iedere zaak met een frisse blik wordt beoordeeld. Weliswaar kan daartegenover worden gesteld dat minder snel rechtseenheid wordt verkregen, maar dat argument is betrekkelijk: totdat de Hoge Raad heeft rechtgesproken, zal over de beantwoording van een bepaalde rechtsvraag enige mate van onduidelijkheid bestaan. Het is dan ook zijn taak de rechtseenheid te waarborgen. Waar mogelijk, kan dat versneld worden bereikt door middel van een prejudiciële vraag. Ook in dat opzicht voorziet de landelijke erfrechtkamer dus niet in een tekort.

Conclusie

Hoewel de landelijke erfrechtkamer met goede bedoelingen lijkt te zijn ingesteld, vraag ik mij af of de praktijk ermee is gebaat. De informele afwijking van de voorgeschreven wijze van zaakstoedeling geeft immers te denken over de houdbaarheid van een landelijke erfrechtkamer. Meer in het bijzonder maakt het de raadsheren kwetsbaar voor wraking, althans de uitspraken van de erfrechtkamer vatbaar voor cassatie. Dat is niet nodig, aangezien het beoogde resultaat ook met proportionelere maatregelen kan worden bereikt, bijvoorbeeld door toewijzing aan één specialist en twee aselect geselecteerde raadsheren. Mogelijk voelt de Hoge Raad zich geroepen zich over de informele werkwijze van de hoven uit te laten. Mij lijkt dat hij daartoe ambtshalve kan overgaan.