NTFR 2022/1 - Vaarwel 2021 en welkom 2022

NTFR 2022/1

NTFR 2022/1 - Vaarwel 2021 en welkom 2022

prof. mr. G.T.K. MeussenProf.mr. G.T.K. Meussen is hoogleraar belastingrecht Radboud Universiteit Nijmegen en als wetenschappelijk adviseur verbonden aan BDO Belastingadviseurs te Tilburg.

Aangekomen bij het einde van het oude jaar neem ik even de tijd om de balans op te maken van het jaar 2021 en u een vooruitblik te geven op het jaar 2022. Het einde van het jaar maakt altijd een beetje weemoedig, geeft een besef van het verglijden der jaren, maar maakt ook weer benieuwd naar het nieuwe jaar. De terugblik geeft tevens aan hoeveel er op fiscaal gebied het afgelopen jaar weer is gebeurd. Wie zou nog willen beweren dat de fiscaliteit saai is? Het belastingrecht is voortdurend in beweging en is daarmee ook een vertaling van de dynamiek van allerlei fiscale ontwikkelingen. Datgene wat hierna is opgenomen, is daarvan slechts een selectie, die uiteraard geheel voor rekening van de auteur komt.

Los van de fiscaliteit, heeft de coronapandemie de maatschappij in het jaar 2021, net als in het jaar 2020, in haar greep gehouden. Met name de hernieuwde strenge lockdown die op 18 december 2021 door demissionair premier Rutte werd afgekondigd, heeft veel mensen hard geraakt en heeft tot gevoelens van zwaarmoedigheid geleid. Het uithoudingsvermogen van mensen wordt nu wel erg op de proef gesteld.

Wat opvalt, is dat in het jaar 2021, net als in het jaar 2020, een aantal grote belangrijke fiscale wetgevingstrajecten, te weten een fundamentele herziening van box 3 in de inkomstenbelasting, een nieuw groepsregime in de vennootschapsbelasting1 alsmede de opvolger van de Wet DBA, andermaal op de lange baan zijn geschoven. Sommige fiscale wetgevingsdossiers blijken in de politieke werkelijkheid zeer weerbarstig te zijn. Een en ander is in het jaar 2021 versterkt door de demissionaire status van het kabinet-Rutte III en de schier eindeloze kabinetsformatie. Bij het schrijven van deze Opinie, in de laatste week van december 2021, is er dan eindelijk op 15 december 2021 een regeerakkoord gesloten. Maar de voortdurende politieke impasse heeft ertoe geleid dat belangrijke fiscale wetgevingstrajecten zijn doorgeschoven naar het kabinet-Rutte IV. Politieke inactiviteit, waar de formerende politieke partijen zich weinig van lijken aan te trekken.2

Naar een globaal minimumtarief voor de vennootschapsbelasting van 15%

De veruit belangrijkste fiscale ontwikkeling van het jaar 2021 is wat mij betreft de mondiale consensus (136 landen en jurisdicties) over de invoering van een minimum-vennootschapsbelastingtarief van 15%, gericht op multinationale ondernemingen met een omzet van meer dan € 750 miljoen.3 Onder andere beleggings- en pensioenfondsen en ‘sovereign wealth funds’ zijn van het toepassingsbereik uitgesloten. Op 1 juli 2021 bereikten 130 van de 139 landen van het OECD/G20 Inclusive Framework on Base Erosion and Profit Shifting (IF) overeenstemming over een herziening van het internationale winstbelastingsysteem. Wie had ooit voor mogelijk gehouden dat hier op een dergelijke mondiale schaal overeenstemming over zou worden bereikt? In allerlei publicaties is deze herziening nu al betiteld als de belangrijkste fiscale ontwikkeling van deze eeuw. Op 1 november 2021 is de verklaring getekend door 136 landen en jurisdicties.4 Op 22 december 2021 heeft de Europese Commissie een richtlijnvoorstel gepubliceerd ter implementatie van pillar 2 in de EU, getiteld ‘Council Directive on ensuring a global minimum level of taxation for multinational groups in the Union’5.6 Deze verklaring, met de voornoemde richtlijn als Europese implementatie, moet op mondiaal niveau ook een einde maken aan de welbekende ‘rat race to the bottom’ van de vennootschapsbelastingtarieven in de hele wereld. Deze politieke move is gericht op het multinationale bedrijfsleven. Het MKB zal door deze maatregel niet worden geraakt, en ook zal het minimumtarief in de toekomst niet worden verhoogd. Ook Ierland is inmiddels overstag gegaan en heeft de overeenkomst ondertekend. Als deze aangekondigde maatregel daadwerkelijk in de betrokken landen en jurisdicties wordt uitgevoerd, zal Nederland in veel meer gevallen dan thans het geval is, het systeem van deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting moeten vervangen door een systeem van deelnemingsverrekening. De 15%-benadering staat overigens op gespannen voet met het thans bestaande netwerk aan bilaterale belastingverdragen en de daarin afgesproken verdeling van heffingsbevoegdheden tussen de betrokken staten. En ook het tijdstip van beoogde inwerkingtreding, 1 januari 2023,7 is erg ambitieus. Het jaar 2022 zal wat dit betreft dus een roerig jaar worden.

De dubbele-pettendiscussie

Jan Vleggeert, hoogleraar Fiscale en Economische vakken aan de Universiteit Leiden, uitte in zijn op 30 oktober 2020 uitgesproken oratie kritiek op dubbele petten in de belastingwetenschap. Hij trok daarin de onafhankelijkheid van de belastingwetenschap in twijfel vanwege het relatief grote aantal parttime belastinghoogleraren die daarnaast belastingadviseur zijn in de commerciële adviespraktijk. Hij illustreerde dit met het voorbeeld van de indertijd voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting, die later op politiek niveau strandde. Belastinghoogleraren met een commerciële belastingadviesfunctie waren over het algemeen overtuigd voorstander van afschaffing terwijl de ‘onafhankelijke’ belastinghoogleraren tegen waren. Deze discussie heeft zich in alle hevigheid in het jaar 2021 voortgezet.89 Zo hield de Vereniging voor Belastingwetenschap (VvBW) op 24 juni 2021 een bijeenkomst over dubbele petten10 en ook de Universiteit Leiden organiseerde op 24 september 2021 in Leiden samen met het Amsterdam Center on the Legal Profession and Access to Justice (ACLPA) van de Universiteit van Amsterdam een conferentie over de dubbele petten in de rechtswetenschap. Daarbij lijkt het alsof de belastingwetenschap zich in twee kampen heeft verdeeld: het Vleggeert-kamp, en het anti-Vleggeert-kamp. Zoals bij zo veel maatschappelijke thema’s dreigt ook hier polarisatie te ontstaan. En dat resulteert dan weer in een situatie waarbij beide kampen niet met elkaar praten. Dat is jammer.

Mijns inziens ligt de waarheid van de discussie ergens in het midden, en met name in de nuance. Ik word formeel ook aangemerkt als een dubbele-petter, omdat ik, zij het op zeer bescheiden schaal, nog enige werkzaamheden verricht voor een belastingadviesorganisatie. Ik zou menen dat de ene dubbele pet de andere dubbele pet niet is. Een verdeling van bijvoorbeeld 0,8 fte’s universiteit en 0,2 fte’s belastingadviespraktijk is iets heel anders dan een verdeling 0,8 fte’s belastingadviespraktijk en 0,2 fte’s universiteit. Die laatste verdeling lijkt mij problematischer omdat daar in ieder geval veel meer het gevaar in kan schuilen dat de belangen van de universiteit worden overschaduwd door die van de belastingadviespraktijk. Overigens beperkt de dubbele pet zich niet tot de belastingadviespraktijk. Er zijn immers ook medewerkers van de Belastingdienst die daarnaast een beperkte aanstelling als hoogleraar belastingrecht hebben. Daar is het gevaar evenzeer dat de belangen van de Belastingdienst een objectieve wetenschapsbeoefening in de weg staan.

Daarnaast zou tevens een onderdeel van de discussie moeten zijn dat het vrijwel onmogelijk is om NWO-subsidies te krijgen voor fiscaal onderzoek en financiering van fiscale proefschriften. Dit maakt fiscale vakgroepen van universiteiten dus afhankelijker van externe geldstromen uit onder meer de belastingadviespraktijk.

En tevens kan dan nog worden opgemerkt dat, zoals we allemaal weten, er nog een wereld achter de wereld van de fiscale regelgeving ligt. Dat is de fiscale praktijk. Met andere woorden: je kunt als fiscale wetenschapper het fiscale recht niet bestuderen als je niets weet en ziet van de fiscale praktijk. Dan loop je het risico je in een ivoren toren terug te trekken, die ver af staat van de realiteit.

Fiscale maatregelen corona

De coronapandemie heeft in het jaar 2021, net als in het jaar 2020, een ongekende invloed gehad op onze samenleving en op de economie in Nederland (en wereldwijd).

Naast allerlei subsidieregelingen (inmiddels is al sprake van NOW-5, zevende tranche) was het onvermijdelijk dat er ook allerlei begeleidende maatregelen op fiscaal terrein zouden komen die de economische gevolgen van de coronacrisis enigszins moesten dempen. Zo was er een corona-uitstel van betaling voor inhoudingsplichtigen;11 een boete voor het niet op tijd betalen van btw of loonheffingen hoeft niet betaald te worden en diverse subsidieregelingen zijn vrijgesteld van belastingheffing.

Met name de belastingschulden die zijn ontstaan als gevolg van het corona-uitstel, en die uiteindelijk toch betaald zullen moeten gaan worden, lijken zich als een steeds groter probleem te gaan manifesteren. De vraag is of veel ondernemers überhaupt in staat zijn om die belastingschulden in de komende jaren te voldoen, mede nu de coronapandemie maar door woedt en we inmiddels opnieuw in een strenge lockdown zitten.

Hetzelfde geldt overigens tot op zekere hoogte voor de diverse NOW-regelingen. Die worden in eerste instantie als voorschot verstrekt, en worden daarna, op basis van de daadwerkelijk gerealiseerde omzet, vastgesteld. Ook dit kan leiden tot aanzienlijke terugbetalingsvorderingen, waarvan het de vraag is of ondernemers daar feitelijk aan kunnen voldoen.

Een voorbeeld van instrumentalisme gerelateerd aan de coronapandemie dat op veel kritiek stuitte, is de BIK, de Baangerelateerde Investeringskorting. De BIK beoogt investeringen te stimuleren om daarmee banen te behouden of te creëren. De BIK leidt tot een korting op de afdracht loonheffing en is daarom geregeld in de Wet vermindering afdracht (WVA). De effectiviteit van deze maatregel wordt evenwel ten zeerste in twijfel getrokken, omdat er simpelweg geen relatie wordt gelegd tussen investeringen in bedrijfsmiddelen enerzijds en banen anderzijds. Uiteindelijk heeft het kabinet-Rutte III het voorstel, op grond van Europeesrechtelijke bezwaren in relatie tot de mogelijkheid dat de regeling als ongeoorloofde staatssteun zou kunnen worden aangemerkt, ingetrokken.12

En wederom: de toeslagenaffaire

En net als in het jaar 2019 en het jaar 2020, stond ook in het jaar 2021 de toeslagenaffaire volop in de maatschappelijke en politieke belangstelling. Het kabinet-Rutte III trad op 15 januari 202113 af als gevolg van de toeslagenaffaire. En de afwikkeling van de schadeclaims van de gedupeerde ouders zal naar verwachting nog vele jaren in beslag nemen. De Tweede Kamer dringt voortdurend aan op haast bij de afwikkeling, maar de praktijk blijkt weerbarstig.14 Zo zou er bij de zogenoemde Catshuisregeling (te weten de € 30.000-regeling) weer sprake zijn van een bepaalde mate van fraude.15 Ofwel: het ene probleem is nog niet opgelost of er ontstaat alweer een nieuw probleem. Wie wil er onder dit donkere gesternte nog staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane in het kabinet-Rutte IV worden? De enige oplossing is uiteraard de afschaffing van het toeslagenstelsel, hetgeen ook in het regeerakkoord van het kabinet-Rutte IV is vastgelegd.

De dga-rekening-courantmaatregel

De contouren van de rekening-courantmaatregel dga die nu al vele jaren boven de markt hangt, en waarop al veel kritiek is geuit,16 maar die door het kabinet-Rutte IV toch wordt doorgezet, zien er als volgt uit:

  • Als de totale som van schulden van de aanmerkelijkbelanghouder aan zijn eigen vennootschap meer dan € 700.00017 bedraagt, wordt dat meerdere (fictief) als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen.

  • De maatregel treedt op 1 januari 202318 in werking.

  • Bestaande en nieuwe eigenwoningschulden aan de eigen vennootschap worden niet door deze maatregel getroffen.

De aanmerkelijkbelanghouder heeft dus nog twee jaar de gelegenheid om zijn schuld aan zijn vennootschap terug te brengen tot maximaal € 700.000.

De box 3-saga

Ook in het jaar 2021, net als in het jaar 2020, slokte box 3 weer veel fiscale aandacht op. De wetgever talmde, wikte en woog, en kwam met een voor velen onbevredigende oplossing.19 Op grond van de Wet aanpassing box 3 (nr. 35577) die op 1 januari 2021 is ingegaan, hebben vermogensbezitters een geringe fiscale tegemoetkoming gekregen. Om de spaardersproblematiek te tackelen is het heffingvrije vermogen opgehoogd tot € 50.000. De schijfgrenzen zijn opnieuw vastgesteld, waarbij de tweede schijf begint bij een box 3-vermogen van € 100.000 en de derde schijf bij een vermogen van € 1.000.000. Als gevolg van de verhoging van het heffingvrije vermogen is het aantal belastingplichtigen dat belasting betaalt over inkomen in box 3 met ongeveer 900.000 gedaald. Om dit pakket deels te dekken is het belastingtarief in box 3 verhoogd naar 31%. De verhoging van het heffingvrije vermogen werkt in beginsel ook door naar allerlei inkomensafhankelijke regelingen met een vermogenstoets. Dit acht het kabinet echter ongewenst, hetgeen ertoe leidt dat de inspecteur een beschikking rendementsgrondslag moet gaan afgeven bij een rendementsgrondslag van meer dan € 31.340 in box 3.20 Mijns inziens een onzalig idee, dat alleen maar tot veel bureaucratie en onbegrip bij belastingplichtigen zal leiden.

Er zullen nog procedures worden gevoerd over de jaren 2016, 2017, 2018, 2019, 2020, enzovoort.

Zeer interessant in dit verband is nog een conclusie van A-G Niessen van 1 november 202121 inzake het jaar 2017, waarbij het gaat om een belastingplichtige met een vermogen van circa € 1 miljoen, dat voor circa 80% is belegd in spaargeld met een lage rente. Met ingang van genoemd jaar is er sprake van twee verschillende rendementspercentages alsmede meerdere rendementsklassen, hetgeen resulteert in een opeenstapeling van ficties. Er ontstaat dan tevens een fictieve vermogensmix. Er is dan volgens de advocaat-generaal sprake van een inbreuk op het eigendomsrecht als bedoeld in art. 1 EP (bij het EVRM), maar het bijzondere is vervolgens dat de advocaat-generaal voorstelt om de belastingplichtige meteen rechtsherstel te bieden door de fictieve vermogensmix te negeren, en met de twee rendementspercentages aan te sluiten bij het werkelijk bij de belastingplichtige op 1 januari aanwezige vermogen.

In een op 24 december 2021 door de Hoge Raad gewezen arrest,22 dat hier en daar al meteen als het kerstcadeau van onze hoogste rechterlijke instantie werd betiteld, neemt de Hoge Raad deze conclusie deels over en biedt hij meteen rechtsherstel. Daarbij refereert de Hoge Raad ook uitdrukkelijk aan het regeerakkoord van het kabinet-Rutte IV, waarin is aangekondigd dat een belastingheffing op basis van het werkelijke rendement nog tot het jaar 2025 op zich zal laten wachten. Dat laatste was voor ons hoogste rechtscollege kennelijk de druppel die de emmer deed overlopen. De Hoge Raad belast bij belanghebbende uitsluitend het werkelijk behaalde rendement zoals dat door de rechtbank is vastgesteld, en kan daarmee de zaak zelf afdoen zonder een verdere verwijzing. Een waarlijk baanbrekend arrest dat in het jaar 2022 nog lang zal nagalmen.

Door de talmende houding van de wetgever, met name wat betreft een heffing over het werkelijke rendement, zal de maatschappelijke onvrede blijven bestaan. We kunnen ons voor het jaar 2022 voorbereiden op nieuwe Kamervragen en dergelijke, zeker ook als gevolg van het hiervóór aangehaalde arrest. De wetgever zal in het jaar 2022 nu toch echt in actie moeten komen. Wordt vervolgd.

Spoedwet conditionele eindafrekening dividendbelasting

Op 10 juli 2020 heeft het Tweede Kamerlid Snels (GroenLinks) het initiatiefwetsvoorstel Spoedwet conditionele eindafrekening dividendbelasting aan de Tweede Kamer aangeboden.23 Het wetsvoorstel voorziet in een exitheffing voor de dividendbelasting en keert zich met name tegen het vertrek van Unilever en Shell uit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk, alwaar geen dividendbelasting wordt geheven. Het is een uniek wetsvoorstel omdat slechts weinig landen in de wereld een dergelijke eindafrekening kennen.24 Internationale, met name Europeesrechtelijke problemen liggen daarbij echter op de loer.

Het Tweede Kamerlid Snels heeft net voor zijn vertrek als Kamerlid, op 26 oktober 2021, een (tweede) nota van wijziging ingediend om de terugwerkende kracht tot en met 18 september 2020, 12 uur uit het wetsvoorstel te schrappen.25 Zijn opvolger op dit dossier, het Tweede Kamerlid Van der Lee, heeft op 15 november 2021 deze wijziging met een nieuwe nota van wijziging echter weer ongedaan gemaakt, zodat de terugwerkende kracht blijft.26 Wordt dus zeker vervolgd in 2022.

Fiscale paragraaf regeerakkoord-Rutte IV

Kijkend naar het jaar 2022 en de jaren daarna is met name de fiscale paragraaf van het regeerakkoord-Rutte IV27 van belang. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

  • De zo gehate verhuurderheffing zal worden afgeschaft.

  • Ook de verruimde schenkingsvrijstelling eigen woning zal worden afgeschaft, en wel met ingang van het jaar 2024.

  • Het gemeentelijke belastinggebied zal worden vergroot, waarbij ook alternatieven voor de OZB in de beschouwing worden betrokken.

  • Het kabinet steunt de voorstellen van de Europese Commissie voor een belasting op kerosine op EU-niveau.

  • In het jaar 2030 wil het kabinet rekeningrijden introduceren, met daaraan gekoppeld een ruime overgangsregeling. Dan zullen zowel elektrische als fossiele auto’s gaan meebetalen aan het weggebruik.

  • De vliegbelasting gaat omhoog.

  • De overdrachtsbelasting voor niet-woningen wordt verhoogd van 8% naar 9%.

  • Het toeslagenstelsel zal worden afgeschaft.

  • In deze kabinetsperiode zullen de eerste stappen worden gezet om het belastingstelsel te vereenvoudigen en te hervormen.

  • Er komt een hogere tabaksaccijns, er wordt een suikertaks ingevoerd en het btw-tarief op groenten en fruit gaat naar 0%.28

  • Nederland intensiveert de aanpak van belastingontwijking en -ontduiking.

  • Opvallend is dat in voornoemde fiscale paragraaf niet wordt getornd aan de hypotheekrenteaftrek. Dat is jammer. Ik heb in een recente Opinie29 nu juist een vurig pleidooi voor het tegendeel gehouden, nu de hypotheekrente op dit moment ongekend laag is en dit een overheveling van de eigen woning naar box 3 een stuk minder problematisch maakt.

Voorstel Europese Commissie bestrijding brievenbusvennootschappen

De Europese Commissie heeft op 22 december 202130 een belangrijk initiatief gepresenteerd om het misbruik van lege entiteiten voor oneigenlijke belastingdoeleinden te bestrijden. Het voorstel moet ervoor zorgen dat entiteiten in de Europese Unie die geen of minimale economische activiteiten ontplooien, niet in aanmerking komen voor belastingvoordelen en geen financiële lasten voor de belastingbetaler met zich meebrengen. De bedoeling is dat het richtlijnvoorstel op 1 januari 2024 zal ingaan, mits uiteraard alle lidstaten daarmee instemmen. In de landelijke Nederlandse pers is al verwoord dat het voorstel zich met name richt tegen Nederland, waarbij de meer dan 12.000 brievenbusvennootschappen die zich hier bevinden stevig zullen worden doorgelicht.31 Eerder stuurde het kabinet het Rapport Commissie Doorstroomvennootschappen met een kabinetsreactie naar de Tweede Kamer.32 De reactie was er toen een van voorzichtigheid, waarbij het kabinet het richtlijnvoorstel van de Europese Commissie dienaangaande afwachtte. Dit is er dus nu, en interessant zal zijn hoe Nederland zich in de Europese arena ten opzichte van dit voorstel zal opstellen.

Herverdeling heffingsrechten (OESO pillar 1)

Met dit initiatief probeert de OESO een mondiale politieke consensus te bereiken over een herverdeling van een winstbelastinggrondslag over landen richting afzet-/content-userjurisdicties. Dit betekent een fundamentele heroriëntatie van de afbakening van heffingsbevoegdheden van landen. Net als pillar (het 15%-tarief) is dit een majeure ontwikkeling op het vlak van het internationale belastingrecht.

Jaarlijks zou hiermee $ 125 miljard winst worden herverdeeld. Het gaat om een formulaire toerekening aan marktlanden van 25% van de winst (was: tussen 20 en 30%), voor zover deze een bedrag gelijk aan 10% van de omzet overstijgt (‘Amount A’). Pijler 1 geldt voor de allergrootste multinationals: bedrijven met een winstgevendheid boven 10% (‘profit before tax/revenue’) en een wereldwijde jaaromzet boven de € 20 miljard.

Een en ander moet in de vorm van een multilateraal verdrag in het jaar 2022 nader worden uitgewerkt.

De Europese Commissie zal in het jaar 2022 een richtlijnvoorstel over de herverdeling van de heffingsrechten (pillar 1) indienen, zodra er overeenstemming is bereikt over de technische aspecten van het multilaterale verdrag.

Het jaar 2022

Wat wens ik mij voor het nieuwe jaar?

  • om te beginnen: dat we de coronapandemie overwinnen, en langzamerhand weer terugkeren naar een zekere vorm van normaliteit;

  • dat de toeslagenproblematiek eindelijk tot het verleden gaat behoren;

  • dat er rust komt op het fiscale wetgevingsfront;

  • dat fiscale wetsvoorstellen meer gespreid over het jaar aan de Tweede Kamer worden aangeboden;

  • dat politici en fiscale beleidsmakers nooit meer de termen ‘belastingvereenvoudiging’ en ‘draagkracht’ gebruiken. Die zijn immers tot loze begrippen geworden die nog uitsluitend in woord maar niet in daad worden beleden;

  • dat er een daadwerkelijke dialoog tot stand komt tussen fiscale wetenschap en politiek;

  • dat de wetgever zich niet zozeer laat leiden door pragmatisme en budgettaire overwegingen, maar meer oog heeft voor de structuur van belastingwetgeving;

  • dat de Belastingdienst in rustiger vaarwater terechtkomt en bovenal dat deze overheidsorganisatie een meer menselijk gezicht krijgt en de menselijke mate in zijn uitvoeringsbeleid hanteert;33

  • dat de Belastingdienst prioriteit geeft aan fraudebestrijding en daarbij tevens systeemfouten bestrijdt. Zo zouden toeslagen niet langer aan belastingplichtigen moeten worden uitbetaald en zou het systeem van de omzetbelasting moeten worden herzien, waarbij aftrek van voorbelasting in beginsel wordt uitgesloten;

  • dat de Belastingdienst zich in kennisgroepen en in beleidsbesluiten onthoudt van het innemen van grensverkennende standpunten die niet zijn terug te voeren op de wet en die daarmee niet kunnen worden onderworpen aan een parlementaire controle;

  • dat de Belastingdienst zich realiseert dat het sluiten van kantoren en loketten de afstand tot de burger alleen maar zal vergroten.34 De schaduwkant van de almaar voortschrijdende digitalisering bij de overheid en de Belastingdienst is naar mijn mening dat deze tot vervreemding en fraude leidt;

  • dat de Belastingdienst in zijn uitvoeringsbeleid mededogen betoont met de sociaal zwakkere en de bestraffing voorbehoudt aan die belastingplichtigen die dat echt verdienen;

  • dat belastingadviseurs er niet meer over klagen dat de Wet VPB 1969 zo complex is geworden. Het bestrijden van belastingconstructies en agressieve taxplanning-structuren leidt immers onvermijdelijk tot een ingrijpen van de wetgever. Prudentie en terughoudendheid van belastingadviseurs vormen nu juist een aanjager van belastingvereenvoudiging.

Mede namens uitgevers, redactie en auteurs van NTFR wil ik u een gezond, vreedzaam en liefdevol jaar 2022 toewensen.