Wetgever mag hogere forfaitaire belasting op duurdere eigen woning vaststellen
Wetgever mag hogere forfaitaire belasting op duurdere eigen woning vaststellen
Gegevens
- Nummer
- 2025/1820
- Publicatiedatum
- 19 november 2025
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Eigenwoningregeling
- Relevante informatie
Belanghebbende heeft met zijn fiscale partner een eigen woning met een WOZ-waarde van € 2.377.000. In de aangifte en de aanslag is een positief saldo aan inkomsten uit eigen woning van € 2.898 in aanmerking genomen. Dit saldo bestaat uit een eigenwoningforfait van € 35.324, aftrekbare rente van € 6.336 en een aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld van € 26.090.
In geschil is of de belastingheffing over de voordelen uit eigen woning, zoals berekend met toepassing van het verhoogde eigenwoningforfait van art. 3.112 lid 1 Wet IB 2001 voor woningen met een waarde boven € 1.110.000, in strijd is met algemene rechtsbeginselen of met art. 14 EVRM in verbinding met art. 1 EP EVRM. Belanghebbende stelt dat het hogere forfait en de afbouw van de zogenoemde Hillen-regeling leiden tot een onevenredige belastingheffing ten opzichte van belastingplichtigen met een hogere eigenwoningschuld.
Het hof oordeelt dat de regelingen berusten op bewuste keuzes van de wetgever en niet in strijd zijn met het gelijkheids- of evenredigheidsbeginsel. Onder verwijzing naar het Harmonisatiewet-arrest en het arrest van 9 juni 2023 () overweegt het hof dat toetsing van wetten in formele zin aan algemene rechtsbeginselen in beginsel is uitgesloten. Slechts indien sprake is van niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden die zozeer in strijd komen met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, kan een bepaling buiten toepassing worden gelaten. Dergelijke omstandigheden zijn in dit geval niet aannemelijk geworden. Het beroep op het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel als algemene rechtsbeginselen faalt.
Het hof verwerpt tevens het beroep op art. 14 EVRM en art. 1 EP EVRM. Belastingplichtigen met een geringe eigenwoningschuld verkeren niet in een gelijke positie als anderen met een hoge schuld. De wetgever beschikt op fiscaal terrein over een ruime beoordelingsmarge, die niet is overschreden bij het onderscheiden van duurdere woningen en bij de afbouw van de Hillen-regeling. Ook de heffing over niet-gerealiseerde voordelen is niet in strijd met het EVRM, mede gelet op recente box 3-jurisprudentie. Het percentage van 2,35% is niet zodanig hoog dat het forfait het werkelijke inkomen wezenlijk overschrijdt.
(Hoger beroep ongegrond.)