Toepassing art. 4.12a Wet IB 2001 op dividend uit aandelen die krachtens erfrecht zijn verkregen

Toepassing art. 4.12a Wet IB 2001 op dividend uit aandelen die krachtens erfrecht zijn verkregen

Gegevens

Nummer
2025/1920
Publicatiedatum
9 december 2025
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2025:12722
Rubriek
Aanmerkelijk belang/Directeur-grootaandeelhouder
Relevante informatie

Belanghebbende houdt via een legaat indirect een belang van 24,5% in een bv. Dit belang houdt zij na een fiscaal gefacilieerde aandelenfusie en zuivere splitsing aan via haar persoonlijke houdstervennootschap. Bij het overlijden van haar vader is in box 2 afgerekend over het aanmerkelijk belang (ab) voor zover de waarde is toe te rekenen aan het beleggingsvermogen van de bv. Binnen 24 maanden na het overlijden ontvangt de persoonlijke houdstervennootschap van belanghebbende een aanzienlijk dividend uit de werkmaatschappij, waarna zij een dividend aan belanghebbende uitkeert. De legatarissen verzoeken toepassing van art. 4.12a Wet IB 2001, zodat de dividenduitkeringen – voor zover die corresponderen met het eerder bij erflater belaste beleggingsvermogen – buiten het ab-inkomen blijven. De inspecteur wijst dit af en rekent de dividenduitkering van belanghebbende tot het ab-inkomen. In geschil is of art. 4.12a Wet IB 2001 van toepassing is op de dividenduitkering aan belanghebbende, in het bijzonder of sprake is van reguliere voordelen uit aandelen die krachtens erfrecht zijn verkregen. De rechtbank stelt vast dat art. 4.12a Wet IB 2001 volgens tekst en strekking beoogt te voorkomen dat in overlijdenssituaties dubbel wordt geheven over hetzelfde beleggingsvermogen. In dit geval is bij erflater afgerekend over het beleggingsvermogen. De aandelen in de persoonlijke houdstervennootschap zijn door de fiscaal gefacilieerde fusie en splitsing in de plaats getreden van de oorspronkelijk krachtens erfrecht verkregen aandelen in de werkmaatschappij. De dividenduitkering vindt haar oorsprong in dat beleggingsvermogen. De rechtbank oordeelt daarom dat ook hier zonder toepassing van art. 4.12a sprake zou zijn van materieel dubbele heffing. Het door de inspecteur ingenomen standpunt dat uitsluitend dividenden uit de direct krachtens erfrecht verkregen aandelen onder art. 4.12a vallen, volgt de rechtbank niet. De door belanghebbende verdedigde uitleg sluit aan bij doel en strekking van de regeling en leidt slechts tot uitstel van belastingheffing tot het moment van vervreemding van de aandelen. Derhalve ontstaat geen spanning met het legaliteits- of rechtszekerheidsbeginsel. Dat de wetgever vergelijkbare situaties eerder via beleid heeft ondervangen en nadien heeft gecodificeerd, ondersteunt volgens de rechtbank dat de letterlijke lezing niet beslissend is waar dit tot dubbele heffing zou leiden. De rechtbank concludeert dat de dividenduitkering kwalificeert als regulier voordeel uit aandelen als bedoeld in art. 4.12a Wet IB 2001 en op verzoek niet tot het ab-inkomen van belanghebbende wordt gerekend. Het ab-inkomen wordt op nihil gesteld en de rentebeschikking wordt overeenkomstig verminderd.

(Beroep gegrond.)