Hoge Raad corrigeert foute hofbeslissing over proceskostenvergoeding
Hoge Raad corrigeert foute hofbeslissing over proceskostenvergoeding
Gegevens
- Nummer
- 2025/1959
- Publicatiedatum
- 12 december 2025
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Formeel belastingrecht
- Relevante informatie
In bezwaar in deze WOZ-zaak is aan een belanghebbende een kostenvergoeding toegekend, berekend naar de lage puntwaarde uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (€ 265). In beroep heeft belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend gekregen voor de beroepsfase, berekend naar de in het Besluit opgenomen lage puntwaarde voor WOZ- en bpm-zaken (€ 541). De bezwaarkostenvergoeding heeft de rechtbank in stand gelaten. Volgens hof Den Bosch (ECLI:NL:GHSHE:2023:4251) heeft de rechtbank, gelet op HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, , voor de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase ten onrechte de lage puntwaarde gehanteerd; dat moet € 837 zijn. Het onderscheid in puntwaarde voor de bezwaarkostenvergoeding is volgens het hof niet discriminatoir en de besluitgever mocht ervoor kiezen de puntwaarden voor beroep en hoger beroep per 1 juli 2021 wel te verhogen, en de puntwaarden voor bezwaar niet. In cassatie houdt deze uitspraak geen stand. Anders dan het hof heeft geoordeeld, is het onderscheid in puntwaarde voor de bezwaarkostenvergoeding namelijk wel discriminatoir (HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 , ). Het oordeel van het hof over het niet hoeven te verhogen van de puntwaarde in bezwaar is wel juist. Verder heeft het hof een fout in het dictum gemaakt. Daarin is namelijk een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase vastgesteld op € 1.897,50, terwijl dit € 2.092,50 moet zijn. De Hoge Raad doet zelf de zaak af. De bezwaarkostenvergoeding wordt op basis van het tarief van 2025 vastgesteld op € 1.294, en de proceskostenvergoeding voor beroep op € 2.268. Verder krijgt belanghebbende een proceskostenvergoeding voor de cassatiefase.
(Cassatieberoep gegrond.)