NTFR 2026/1 - Vaarwel 2025 en welkom 2026
NTFR 2026/1 - Vaarwel 2025 en welkom 2026
Aangekomen bij het einde van het oude jaar neem ik traditiegetrouw even de tijd om de balans op te maken van het jaar 2025 en u een vooruitblik te geven op het jaar 2026. Het einde van het jaar maakt altijd een beetje weemoedig, geeft een besef van het verglijden der jaren, maar maakt ook weer benieuwd naar het nieuwe jaar. De terugblik geeft tevens aan hoeveel er op fiscaal gebied het afgelopen jaar weer is gebeurd. Wie zou nog willen beweren dat de fiscaliteit saai is? Het belastingrecht is voortdurend in beweging en is daarmee ook een vertaling van de dynamiek van de maatschappij en van allerlei fiscale ontwikkelingen, zowel nationaal als internationaal. Datgene wat hierna is opgenomen, is daarvan slechts een selectie, die uiteraard geheel voor rekening van de auteur komt.
Los van de fiscaliteit, werd het jaar 2025, net zoals de voorgaande jaren, vooral gekenmerkt door allerlei crises die ons allemaal in de greep hebben gehouden. De vreselijke oorlogen in Oekraïne, Israël,1 Jemen en Soedan, conflicten als bijna uit de middeleeuwen die eigenlijk niemand anno 2025 voor mogelijk had gehouden. Daarnaast is er sprake van een oplaaiend grensconflict tussen Thailand en Cambodja en groeien de geruchten over het inzetten van grondtroepen door de Verenigde Staten in Venezuela. De woningnood, de stikstofcrisis, de energiecrisis en het migratievraagstuk hebben daarnaast het afgelopen jaar Nederland wederom in hun greep gehouden, zonder dat deze problemen door de politiek structureel zijn aangepakt.
Politieke instabiliteit
Het jaar 2025 kenmerkte zich, net als het jaar daarvoor, door politieke instabiliteit. In het jaar 2025 viel het kabinet-Schoof, hebben er verkiezingen plaatsgevonden, en zitten we thans midden in een kabinetsformatie. Een nieuw kabinet lijkt er nog niet snel aan te komen. Sinds de PVV en het NSC uit het kabinet zijn gestapt, bestaat het huidige demissionaire kabinet-Schoof nog maar uit twee politieke partijen, te weten de VVD en de BBB. We hebben in dit jaar te maken gehad met twee verschillende staatssecretarissen van Financiën (Fiscaliteit en Belastingdienst). Op 15 november 2024 werd Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) de nieuwe staatssecretaris van Financiën, maar hij werd op 5 september 2025 alweer opgevolgd door de relatief onbekende Eugène Heijnen (BBB).
25. -jarig bestaan NTFR
Het jaar 2025 werd niet alleen gekenmerkt door het 25-jarig bestaan van de Wet IB 2001, maar ook door het 25-jarig bestaan van dit mooie fiscale tijdschrift NTFR. Op 26 september 2025 vond een jubileumcongres plaats,2 en er verscheen tevens een speciale (papieren) editie van NTFR3 met bijdragen van diverse (jonge) medewerkers van NTFR over verleden, heden en toekomst van de fiscaliteit.
Toekomst box 3: Wet werkelijk rendement box 3 vanaf 2028
In 2024 heeft het kabinet-Schoof bekendgemaakt dat de invoering van een nieuw box 3-stelsel4 andermaal met een jaar wordt uitgesteld en niet eerder dan in het jaar 20285 (eerder was gezegd 2027, 2026 resp. 2025) zal worden ingevoerd. In de consultatieversie6 waarvan de internetconsultatie in 2023 heeft plaatsgevonden, is sprake van een combinatie van een vermogenswinst- en een vermogensaanwasbelasting. Dat het hier om een hot fiscaal topic gaat, blijkt wel uit de 1143 openbare reacties.
De belasting over het inkomen uit sparen en beleggen wordt in het nieuwe stelsel als hoofdregel vormgegeven als een vermogensaanwasbelasting. Het stelsel beoogt het totale (werkelijke) rendement van vermogen in de heffing te betrekken. Voor onroerende zaken en aandelen in zogenoemde start-ups7 geldt als uitzondering op de hoofdregel een vermogenswinstbelasting. Om de heffing eenvoudig te houden voor de grote groep belastingplichtigen met een tweede woning in box 3 voor eigen gebruik, zoals een vakantiewoning, geldt wat betreft het inkomstenaspect een forfait voor het bepalen van dit deel van het totale rendement (de zogenoemde vastgoedbijtelling).
Elke wijziging ten opzichte van het huidige box 3-stelsel maakt dit stelsel een stuk complexer. Dat is met de Wet werkelijk rendement box 3 niet anders.8 De omvorming van een heffingvrij vermogen naar een heffingvrij inkomen is nog niet zo’n probleem. Maar zo zal er sprake zijn van voorwaartse verliesverrekening, van afrekenen bij emigratie en overlijden, met in dit laatste geval wellicht een doorschuifmogelijkheid. Maar ook gelden er, net als in de winstsfeer, allerlei kostenaftrekbeperkingen9 en daarnaast moet een zakelijkheidsbeginsel worden toegepast. Bij een transactie in gelieerde verhoudingen, bijvoorbeeld tussen een ouder en een kind, geldt dat deze zal moeten plaatsvinden tegen de waarde in het economische verkeer. Een logische bepaling, maar die zal in de praktijk tot tal van waarderingsproblemen kunnen leiden. Daarnaast is de overgangsproblematiek naar het nieuwe stelsel niet onbelangrijk. Er zij in dit verband verwezen naar art. 9.4a Wet IB 2001 uit het wetsvoorstel. De waarde in het economische verkeer van alle box 3-vermogensbestanddelen per 1 januari 2028 (en ook volgende jaren) zal door de inspecteur bij beschikking worden vastgesteld, gelijktijdig met het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting. Het ligt in de rede dat belastingplichtigen tegen een zo hoog mogelijke waarde per 1 januari 2028 willen overgaan naar het nieuwe stelsel. Dat leidt mijns inziens tot een stortvloed aan bezwaarschriften tegen de waardebeschikkingen 1 januari 2028 inhoudende dat de waarde van het vermogen te laag is vastgesteld in plaats van te hoog. Dan zal nog wel een formeelrechtelijke hobbel moeten worden genomen dat dergelijke bezwaarschriften ontvankelijk zijn, nu een rechtstreeks financieel/fiscaal belang daarbij niet aan de orde is. Ervan uitgaande dat de ontvankelijkheidskwestie is opgelost, zal dit in mijn perceptie leiden tot een zware uitvoeringslast voor de Belastingdienst, en uiteindelijk ook voor de rechtspraak.
Overigens is al op voorhand de vraag opgeworpen of een vermogensaanwasbelasting en het ontbreken van de mogelijkheid van achterwaartse verliesverrekening in het nieuwe stelsel niet in strijd is met het EVRM. Deze rechtsvragen zullen zeker te zijner tijd aan de Hoge Raad worden voorgelegd.
Een vermogensaanwasbelasting is naar mijn mening een onzalig idee,10 dat allerwegen op veel kritiek stuit.11 Belangrijke problemen bij een dergelijke belastingheffing zijn de mogelijke liquiditeitsproblemen om de verschuldigde belasting te kunnen betalen en de fluctuaties van de waardedalingen en -stijgingen van vermogensbestanddelen over de jaren heen. Ik kan mij eerlijk gezegd niet voorstellen dat een dergelijke belasting daadwerkelijk in Nederland zal worden ingevoerd.
‘Mijn voorkeur zou het hebben om terug te keren naar de situatie onder de Wet IB 1964. Dus een inkomstenbelastingheffing over de werkelijke inkomsten uit vermogen,12 in combinatie met een vermogensbelasting. Daarbij zou wat mij betreft de belasting over de werkelijke inkomsten uit vermogen met de vermogensbelasting moeten worden verrekend, om op die manier constructies tegen te gaan waarbij beleggingen worden ondergebracht in beleggingsfondsen die nooit dividend uitkeren en daarmee tevens een vorm van anti-cumulatie te introduceren. Dus de werkelijke rendementen worden belast met aanpalend en aanvullend een vermogensbelasting om allerlei constructies in de inkomstensfeer tegen te gaan.
De vermogensbelasting zou dan tevens moeten worden uitgebreid naar beleggingsvermogen in box 2. Daarbij zou ik de wettelijke fictie willen inbouwen dat verhuurd vastgoed steeds geacht wordt geen onderneming te vormen. Daarmee keert het begrip ‘ondernemingsvermogen’ weer terug naar de echte ondernemingen. Dit betekent uitvoeringstechnisch wel weer een zwaardere administratieve last voor die groep van belastingplichtigen, maar elk gewijzigd heffingssysteem ten opzichte van het huidige box 3 zal nu eenmaal administratief complexer zijn.’13 14
Op 19 mei 2025 is het betreffende wetsvoorstel (36748) dan uiteindelijk door staatssecretaris Van Oostenbruggen bij de Tweede Kamer ingediend.15 16 Het wetsvoorstel is niet controversieel verklaard. Naar ik heb begrepen, zou de volledige parlementaire behandeling medio april 2026 moeten zijn afgerond, wil de wet nog per 1 januari 2028 in werking kunnen treden. Medio december 2025 is de parlementaire behandeling gevorderd tot de nota naar aanleiding van het verslag in de Tweede Kamer. De vraag is of in dit tempo het beoogde tijdpad kan worden gehaald.
De box 3-saga
Ook in het jaar 2025, net als in eerdere jaren, slokte box 3 weer zeer veel fiscale aandacht op. Wat dat betreft stond ook het jaar 2025 volledig in het teken van de naweeën van het Kerstarrest uit het jaar 2021. In het op 24 december 2021 gewezen arrest17 verwees de Hoge Raad box 3 naar de prullenbak wegens strijd met het EVRM (art. 1 EP) en bood meteen rechtsherstel.
In een aantal arresten die de Hoge Raad op 6 en 14 juni 202418 alsmede 20 december 202419 wees, oordeelde ons hoogste rechtscollege andermaal dat ook de Wet rechtsherstel box 3 en de Overbruggingswet box 3 in strijd zijn met het EVRM.20 Weliswaar is in de nieuwe wetten het probleem voor de spaarders opgelost, maar niet voor de beleggers. De Hoge Raad herhaalde zijn doctrine dat belastingplichtigen zich op het lagere werkelijke rendement kunnen beroepen, waarbij hij tevens enige duiding geeft wat onder het werkelijk rendement dient te worden verstaan. Ik zou bijna zeggen dat dit tot nu toe de belangrijkste fiscale arresten zijn van deze 21e eeuw, met een enorme impact voor grote groepen belastingplichtigen. En daarnaast zorgt het voor een enorme uitvoeringslast voor de Belastingdienst.
De wetgever reageerde op deze nieuwe arresten met de Wet tegenbewijsregeling box 3, die in de loop van het jaar 2025 door de Tweede en Eerste Kamer werd aangenomen. Deze wet werkt terug tot 1 januari 2023 respectievelijk 1 januari 2017. Er is een geheel nieuwe afdeling 5.6 in de Wet IB 2001 opgenomen, bestaande uit art. 5.25 t/m 5.36 Wet IB 2001.
Vanaf de zomer 2025 kunnen belastingplichtigen het formulier ‘Opgaaf werkelijk rendement’ (het zogenoemde OWR-formulier) digitaal invullen. Dit dient uiteraard voor elk jaar afzonderlijk te gebeuren. Komt dit rendement in de nog openstaande jaren lager uit dan het wettelijke fictieve rendement, dan zal de fiscus het lagere werkelijke rendement in aanmerking nemen.21 Daarbij springt met name het jaar 2022 in het oog, omdat in dat jaar sprake was van een scherpe daling van de aandelenbeurzen. Belastingplichtigen die in dat jaar in betekenende mate een aandelenportefeuille hadden, zullen in dat jaar een negatief beleggingsrendement hebben gehaald en zullen zeker in het tegenbewijs slagen.
Bij het OWR-formulier zijn vier situaties te onderkennen:
Als de aanslag vaststaat en het OWR-formulier binnen de bezwaartermijn wordt ingestuurd, dan wordt het OWR-formulier gezien als bezwaarschrift tegen de aanslag. Is reeds bezwaar gemaakt, dan geldt het OWR-formulier als aanvulling op het bezwaarschrift.
Als de aanslag vaststaat en het formulier na de bezwaartermijn van zes weken wordt ingestuurd, dan wordt het OWR-formulier gezien als een verzoek om ambtshalve vermindering.
Als de definitieve aanslag nog niet is opgelegd, dan wordt het OWR-formulier aangemerkt als aanvulling op de aangifte. Bij de (voorlopige) aanslagregeling wordt dan rekening gehouden met het OWR-formulier.
Is een voorlopige aanslag opgelegd, dan wordt het OWR-formulier gezien als een verzoek om herziening van de voorlopige aanslag.
Als ik het goed zie, zijn we in een doolhof van box 3-regels terechtgekomen, waarbij de belastingplichtige zich steeds op de laagste uitkomst kan beroepen. En daarbij dient ook nog een onderscheid in verschillende periodes te worden gemaakt.