NTFR 2026/153 - Het beginsel van een behoorlijke procesvoering in fiscalibus
NTFR 2026/153 - Het beginsel van een behoorlijke procesvoering in fiscalibus
In aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 2025 en de daaropvolgende moeizame formatie viel het woord ‘fatsoen’ opvallend vaak. Niet alleen de toon in debatten stond ter discussie maar ook de bredere politieke cultuur: de behoefte aan minder polarisatie en meer inhoudelijke politiek. Het CDA koos in die context zelfs voor de verkiezingsslogan ‘Een fatsoenlijk land’, waarmee het in het verkiezingsprogramma verwees naar ‘een politiek die normaal doet en verantwoordelijkheid neemt’. Toch blijft onduidelijk wat er met fatsoen precies wordt bedoeld. Cultuurverslaggever De Rek wees er in haar artikel in de Volkskrant op dat het verlangen naar fatsoen breder lijkt te zijn dan de overeenstemming over de betekenis ervan.1 Columnist Van der Ploeg merkte in het verlengde daarvan op dat er in Nederland wel consensus lijkt te bestaan over wat als onfatsoenlijk wordt beschouwd, maar dat veel minder duidelijk is wat onder fatsoen moet worden verstaan. Hij stelde dat fatsoen lijkt te worden gereduceerd tot ‘gewoon een beetje normaal doen’.2
Fatsoenlijk procesgedrag
Ook in de rechtspraak is zichtbaar dat fatsoen – of beter gezegd: het gebrek daaraan – steeds vaker een rol speelt in procedures.3 Het kan bij onfatsoenlijk procesgedrag gaan om allerlei feitelijke gedragingen van de procespartijen, zoals het te laat komen op zitting, het interrumperen van de wederpartij of de rechter, het geven van inadequate antwoorden op vragen, een onnodig conflictueuze toonzetting, het met elkaar voeren van overleg terwijl de wederpartij of de rechter aan het woord is of non-verbaal gedrag zoals hoorbaar zuchten of verongelijkte blikken.4 Maar het kan ook gaan om strategisch procesgedrag, zoals het bewust laat indienen van omvangrijke stukken, het starten van kansloze procedures of het uitsluitend procederen met het oog op het verkrijgen van kostenvergoedingen en dwangsommen.
In de rechtspraktijk bestaat er een breed gedeeld besef dat aan onfatsoenlijk gedrag van procesdeelnemers grenzen moeten worden gesteld. Ik heb de indruk dat de van oudsher actieve belastingrechter in de regel goed weet om te gaan met onfatsoenlijk procesgedrag van de procespartijen en de regie over het procesverloop stevig in handen houdt. De belastingrechter beschikt over een breed palet aan instrumenten om tegen het hiervoor geschetste onfatsoenlijke procesgedrag op te treden, variërend van een mondelinge terechtwijzing of het maken van afspraken over het verdere verloop van de zitting tot het weigeren van een gemachtigde of zelfs het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep dan wel het gegrond verklaren van het beroep van de wederpartij. Toch lijkt het ook in de rechtspraktijk eenvoudiger om vast te stellen wat als onfatsoenlijk gedrag kan worden bestempeld dan te omschrijven welk gedrag van de procesdeelnemers in het kader van fatsoenlijk procederen mag worden verwacht. In dat licht bezien heeft de algemene bestuursrechter in 2025 een duidelijke stap gezet door het beginsel van een behoorlijke procesvoering te introduceren.
Het beginsel van een behoorlijke procesvoering
In een tweetal uitspraken introduceerde de Afdeling ‘bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het beginsel van een behoorlijke procesvoering. Eerst in een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 16 april 20255 en vervolgens in de bodemprocedure in (onder andere) die zaak in zijn uitspraak van 23 juli 2025.6 In deze zaak ging het om het structurele en systematische procedeergedrag van een appellant die al twintig jaar lang een zeer groot aantal procedures initieert en gedrag vertoont dat alle grenzen van fatsoen en legitieme kritiek overschrijdt. De appellant – die kennelijk ook nog eens de wens heeft om advocaat te worden – duidde Staatsraden aan als ‘kwijlend en blunderend fossiel’, ‘fascistische rechters’, ‘rattenrechters’, ‘totaalwappies’ en ‘afschuwelijk incompetent en kwaadaardig’, en een griffiemedewerker werd betiteld als ‘anoniem griffiersdebieltje’. En hier bleef het niet bij. De appellant richtte zich rechtstreeks tot rechters en medewerkers met berichten die de kennelijke bedoeling hadden te intimideren. Zo zaten er bij de stukken die hij stuurde foto’s van individuele medewerkers van de rechtspraak en deelde hij privégegevens van rechters, waaronder het woonadres van de voorzitter en de gegevens van haar partner. Ook op de zitting vertoonde de appellant zeer bedreigend en intimiderend gedrag.7
Dat in deze zaak sprake was van gedrag waarmee de grenzen van een fatsoenlijke procesvoering werden overschreden, staat als een paal boven water. Het is naar mijn mening dan ook meer dan terecht dat de Afdeling in deze zaak zeer stevig optrad en de hoger beroepen en het herzieningsverzoek van de appellant niet-ontvankelijk verklaarde. Deze niet-ontvankelijkverklaring baseerde de Afdeling op de schending van het beginsel van een behoorlijke procesvoering. Zowel de voorzieningenrechter van de Afdeling als de Afdeling verstaat hieronder ‘dat zowel schriftelijk als mondeling het debat met elkaar gevoerd moet worden op een fatsoenlijke manier, zonder daarbij gebruik te maken van ongepaste, beledigende en dreigende teksten en/of uitlatingen’.8 De rechter kan overgaan tot het niet-ontvankelijk verklaren van een rechtsmiddel als ‘het taalgebruik de grenzen van de normale, beschaafde en legitieme kritiek overstijgt en/of in een procedure systematisch rechters of medewerkers van een gerecht, bestuursorganen of representanten van bestuursorganen worden beschuldigd van vooringenomenheid, partijdigheid of het plegen van misdrijven’.9 Deze formulering vindt haar oorsprong in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.10
De fiscale rechtspraak
In de belastingrechtspraak stond de afgelopen jaren met name een inmiddels bekende gemachtigde in BPM-procedures in de belangstelling vanwege zijn procesgedrag,11 maar ook in WOZ-procedures zijn gevallen bekend van gemachtigden die zich onfatsoenlijk gedragen.12 Dit geldt ook voor individuele belastingplichtigen.13 In een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 augustus 2025 verklaarde de rechtbank de beroepen van een belanghebbende niet-ontvankelijk vanwege misbruik van procesrecht.14 De belanghebbende voerde al 25 jaar bezwaar- en beroepsprocedures met daarin telkens dezelfde niet onderbouwde bezwaar- en beroepsgronden die elk jaar opnieuw worden verworpen, en hanteerde zeer grievend taalgebruik waar hij door verschillende rechters meerdere keren op is gewezen.15 Hij gebruikte in zijn beroepschrift teksten als ‘de gemeentefunctionarissen kunnen niet op integere wijze met geld omgaan, zoals blijkt uit de zwendelpraktijken met roerende en onroerende goederen op kosten van de bevolking’, dat ‘de heffingsambtenaar het als zijn voornaamste taak ziet om de misdadige gedragingen van de gemeente Apeldoorn met de mantel der liefde te bedekken’ en dat ‘Nederland geen democratische rechtsstaat is, maar een slavenstaat voor de machteloze armen en een oligarchie en een plutocratie voor de machtige rijken’.16
In deze zaak baseerde de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring op het leerstuk van misbruik van procesrecht. De rechtbank oordeelde dat de belanghebbende zijn bevoegdheid om beroep in te stellen zodanig evident heeft gebruikt zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe die bevoegdheid gegeven is, dat bij het gebruiken van die rechten of bevoegdheden sprake is van kwade trouw. De lat voor het aannemen van misbruik van procesrecht ligt hoog, maar de rechtbank motiveerde uitvoerig dat de combinatie van steeds terugkerende, ongefundeerde beroepsgronden, structureel grievend taalgebruik en het inzetten van het wrakingsmiddel als pressiemiddel leidt tot de conclusie dat deze hoge lat wordt gehaald.
Zoals Jansen recent heeft geconstateerd, wordt een beroep op misbruik van procesrecht door de rechter slechts bij uitzondering gehonoreerd.17 Dat de drempel voor misbruik van procesrecht in deze rechtbankzaak niet te hoog werd geacht, acht ik zeer terecht. Tegelijkertijd zal dat in veel gevallen niet zo zijn. Juist dan biedt het door de Afdeling geïntroduceerde beginsel van een behoorlijke procesvoering een alternatief aanknopingspunt. In deze zaak laten de feiten zich immers zonder moeite kwalificeren als een schending van dat beginsel. Van een debat dat op een fatsoenlijke wijze wordt gevoerd, zonder ongepaste beledigende of grievende uitlatingen, is in deze zaak immers geen sprake. Het taalgebruik overstijgt de grenzen van normale, beschaafde en legitieme kritiek en bestaat uit systematische beschuldigen van bestuursorganen en hun vertegenwoordigers. Ik denk dat de niet-ontvankelijkverklaring daarom ook had kunnen worden gebaseerd op de schending van het beginsel van een behoorlijke procesvoering.
Wat mij betreft ligt het daarom voor de hand dat de rechter voortaan bij stelselmatig grievend, beledigend of bedreigend taalgebruik door (vertegenwoordigers van) procespartijen niet meer primair aanknoopt bij het leerstuk van misbruik van procesrecht, waarvoor een hoge drempel geldt, maar bij schending van het beginsel van een behoorlijke procesvoering. Dat beginsel biedt de rechter een beter hanteerbaar kader en geeft de rechter meer ruimte om onfatsoenlijk procesgedrag te normeren en zo nodig te sanctioneren. Dat er een ander juridisch label op het onfatsoenlijke gedrag kan worden geplakt, betekent overigens niet dat dit steeds tot de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid moet leiden. Daarvoor past nog altijd terughoudendheid omdat deze sanctie iemand de toegang tot de rechter ontneemt. Terecht is door Keinemans en Molendijk betoogd dat deze sanctie slechts als ultimum remedium mag worden toegepast, nadat minder ingrijpende interventies geen effect hebben gehad en de betrokken partij ondubbelzinnig is gewaarschuwd.18
Het beginsel van een behoorlijke procesvoering is door de belastingrechter nog niet expliciet geïntroduceerd in de fiscale rechtspraak. Ik vraag mij echter af of het beginsel van een behoorlijke procesvoering daadwerkelijk een nieuw beginsel is. Zit dit beginsel niet al een lange tijd verscholen achter het weinig zeggende etiket van de goede procesorde? De belastingrechter kwalificeert onfatsoenlijk procesgedrag namelijk ook regelmatig als een schending van de goede procesorde.19 De goede procesorde fungeert als een overkoepelende term waaronder verschillende beginselen of elementen schuilgaan die in het belang van een goede procesorde tegen elkaar worden afgewogen, zoals het beginsel van hoor en wederhoor en het belang van een voortvarende en doelmatige procesgang. Het beginsel van een behoorlijke procesvoering maakt volgens mij ook onderdeel uit van dit overkoepelende begrip. Ik heb de indruk dat de belastingrechter bij onfatsoenlijk procesgedrag, door te spreken van een schending van de goede procesorde, feitelijk tot uitdrukking brengt dat de grenzen van het beginsel van een behoorlijke procesvoering zijn overschreden. Nu de algemene bestuursrechter het beginsel van een behoorlijke procesvoering echter expliciet heeft geïntroduceerd, meen ik dat het tijd is dat ook de belastingrechter dit beginsel expliciet bij de naam gaat noemen. Het expliciet benoemen van het geschonden beginsel maakt namelijk inzichtelijk waar het werkelijk om gaat: een gebrek aan behoorlijke procesvoering, in plaats van een verwijzing naar de abstracte term ‘de goede procesorde’. Ik hoop dan ook dat het niet lang meer zal duren voordat het beginsel van een behoorlijke procesvoering ook expliciet door de belastingrechter wordt omarmd.
Tot slot
De rechtspraak gaat gebukt onder een grote hoeveelheid aan zaken. Toch is het van groot belang dat de poort naar de rechter voor iedereen open blijft staan. Maar toegang tot de rechtspraak vraagt wel om fatsoen en respect. Respect voor de wederpartij, het proces, het werk van de rechter en de mensen die werken bij de rechtspraak. Wie procedeert, draagt medeverantwoordelijkheid voor een behoorlijke en ordelijke rechtspleging. Uiteindelijk komt het, net als in het politieke debat, volgens mij neer op ‘gewoon een beetje normaal doen’. Het achterwege laten van beledigende of dreigende uitlatingen en het niet stelselmatig beschuldigen van rechters, medewerkers van de rechtspraak of vertegenwoordigers van bestuursorganen lijkt mij niet te veel gevraagd. Wie structureel zonder respect procedeert, hoeft wat mij betreft niet verbaasd te zijn als de poorten van de rechtspraak op enig moment voor hem sluiten.