Geen proceskostenvergoeding door onvoldoende onderbouwing beroepsmatige rechtsbijstand
Geen proceskostenvergoeding door onvoldoende onderbouwing beroepsmatige rechtsbijstand
Gegevens
- Nummer
- 2026/64
- Publicatiedatum
- 15 januari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Formeel belastingrecht
- Relevante informatie
Belanghebbende ontvangt voor de jaren 2022 en 2023 aanslagen LH en maakt bezwaar tegen in rekening gebrachte aanmaningskosten. De aanmaningskosten worden in bezwaar tot nihil verminderd, maar het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen. De gemachtigde van belanghebbende is een familielid en treedt volgens belanghebbende op vanuit een professioneel kantoor, met meerdere cliënten en een zakelijke overeenkomst. De invorderingsambtenaar stelt dat geen sprake is van beroepsmatige rechtsbijstand, omdat de gemachtigde vrijwel uitsluitend familieleden bijstaat en onvoldoende inzicht geeft in zijn cliëntenbestand of omzet. In geschil is of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank overweegt dat voor vergoeding van proceskosten is vereist dat de rechtsbijstand deel uitmaakt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. De familierelatie tussen belanghebbende en gemachtigde sluit beroepsmatige rechtsbijstand niet uit, maar belanghebbende moet aannemelijk maken dat daadwerkelijk sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank acht de overgelegde stukken en toelichting onvoldoende om aan te tonen dat de gemachtigde structureel rechtsbijstand verleent aan anderen dan familieleden. De enkele stelling dat gemachtigde voor andere cliënten werkt en lid is van beroepsverenigingen, is onvoldoende onderbouwd. Het ontbreken van concrete informatie over andere cliënten of de omvang van de praktijk maakt dat niet aannemelijk is dat sprake is van beroepsmatige rechtsbijstand in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
(Beroep ongegrond.)