Antwoorden op vragen over het artikel ‘Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken’
Antwoorden op vragen over het artikel ‘Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken’
Gegevens
- Nummer
- 2026/68
- Publicatiedatum
- 15 januari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Inkomsten uit vermogen/Inkomen uit sparen en beleggen
- Relevante informatie
Staatssecretaris Heijnen beantwoordt Kamervragen over het bericht dat spaarders en woningbeleggers de vermogenstaks eenvoudig kunnen ontwijken
In de Kamervragen wordt verwezen naar mediaberichten waarin twee routes worden geschetst: het naar voren halen van rente-uitkeringen (bijvoorbeeld door opzegging van een spaarrekening zodat rente in december in plaats van januari wordt uitgekeerd) en het naar voren halen of ‘clusteren’ van huurinkomsten, onder meer via verkoop (cessie) van toekomstige huurtermijnen of het laten vooruitbetalen van huur.
De staatssecretaris bevestigt dat het keuzeregime in het huidige overbruggingsstelsel (keuze tussen forfaitair en werkelijk rendement) mogelijkheden voor belastingoptimalisatie biedt. Maar hij nuanceert de praktische mogelijkheden. Bij rente geldt dat belastingplichtigen alleen van de tegenbewijsregeling gebruik kunnen maken als het totale werkelijke rendement in box 3 lager is dan het forfaitair rendement. Omdat het rendement op beleggingen doorgaans hoger is dan op sparen, heeft het naar voren halen van één rentetermijn bij aanwezigheid van andere beleggingen relatief weinig effect op het totale werkelijke rendement. Bovendien weten belastingplichtigen vooraf niet hoe hoog hun totale werkelijke rendement in een jaar zal zijn, waardoor ‘perfect timen’ lastig is.
Huurinkomsten
Voor huurinkomsten wordt uitgebreid uiteengezet dat de geschetste cessie‑constructie niet werkt als ontwijkingsroute. Een recht op toekomstige huurtermijnen is een bezitting; bij verkoop (cessie) ontstaat een genotsrecht op het vastgoed, dat de waarde van de onroerende zaak drukt. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat de grondslag voor box 3 daardoor wel verschuift, maar dat er vervolgens jaarlijks vermogensaanwas optreedt doordat het genotsrecht in waarde afneemt en de onroerende zaak in waarde stijgt. Dit leidt ertoe dat het rendement over de looptijd wordt gespreid en niet ‘weggedrukt’ in één jaar. Dat geldt zowel bij openbare als stille cessie.
Ook vooruitbetaling van huur kent de nodige beperkingen: huurders hebben daar meestal geen belang bij en vaak niet de financiële ruimte, en bij langere vooruitbetalingen moet de huurder zelf een genotsrecht als bezitting in box 3 opgeven. Daarnaast wordt bij de verhuurder de waardedaling en latere waardestijging van zijn vermogen via de vermogensaanwas meegenomen, zodat ook hier geen structurele ontgaansmogelijkheid ontstaat. Verhuur aan de eigen bv valt bovendien niet in box 3 maar onder de terbeschikkingstellingsregeling in box 1.
Geen reparatiewetgeving
De staatssecretaris erkent dat een keuzeregime altijd optimalisatie toelaat, maar ziet geen aanleiding voor reparatiewetgeving specifiek voor deze routes. Wel wordt in beide brieven benadrukt dat het kabinet per 1 januari 2028 wil overstappen op een stelsel van werkelijk rendement zonder keuzeregime (Wet werkelijk rendement box 3), waarvoor het wetsvoorstel al bij de Kamer ligt en tijdige behandeling noodzakelijk is. In de overgang naar dat stelsel komt een aanpassingswet die onder meer een ontbrekende verwijzing naar genotsrechten in de inbrengwaarde van onroerende zaken corrigeert, juist om constructies rond huurtermijnen bij de stelselovergang te adresseren en dubbele heffing te voorkomen.
Bron: Aanbiedingsbrief bij antwoorden op vragen over het artikel ‘Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken’, nr. 2025-0000519895 en nr. 2025-0000519477, Ministerie van Financiën, 14 januari 2026