Goedkeurend coronabeleid inzake reiskostenvergoedingen geldt niet voor na 13 maart 2020 toegekende reiskostenvergoedingen
Goedkeurend coronabeleid inzake reiskostenvergoedingen geldt niet voor na 13 maart 2020 toegekende reiskostenvergoedingen
Gegevens
- Nummer
- 2026/110
- Publicatiedatum
- 23 januari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Arbeid, loon en resultaat
- Relevante informatie
Belanghebbende, een gemeente, kent voor haar werknemers een IKB-systeem. Een werknemer kan zijn IKB (onder meer) inzetten voor vergoeding van reiskosten van woon-werkverkeer, waaronder een (aanvullende) vaste reiskostenvergoeding. In verband met de coronacrisis, heeft de staatssecretaris bij Besluit noodmaatregelen coronacrisis van 14 april 2020 – met terugwerkende kracht tot en met 12 maart 2020 – een goedkeuring gegeven met betrekking tot de gevolgen van een wijziging in het reispatroon van een werknemer voor de gerichte vrijstelling van vaste reiskostenvergoedingen. Die goedkeuring behelst kort gezegd:
‘Ik keur voor zoveel nodig goed dat een werkgever gedurende de werking van dit besluit voor een vaste reiskostenvergoeding geen gevolgen verbindt aan een wijziging in het reispatroon van een werknemer. De werkgever kan deze goedkeuring ook toepassen voor een vaste reiskostenvergoeding met nacalculatie.’
In geschil is of op de door belanghebbende uitbetaalde (aanvullende) vaste reiskostenvergoedingen aan haar werknemers die niet voor 13 maart 2020 door middel van het plaatsen van een vinkje ervoor hebben gekozen hun IKB aan dat doel te willen besteden, loonheffing is verschuldigd. Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende aan de goedkeuring in het Besluit van 14 april 2020 (en aan de daarop volgende besluiten) vertrouwen kon ontlenen dat de vrijstelling ex art. 31a lid 2 letter a Wet LB op die vergoedingen kan worden toegepast, zodat zij daarover geen loonheffingen is verschuldigd. Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS_2024:1711) heeft die vraag ontkennend beantwoord. In cassatie heeft belanghebbende evenmin succes.
Het hof heeft volgens de Hoge Raad namelijk terecht en op goede gronden aangenomen dat de goedkeuringen met betrekking tot reiskostenvergoedingen in het Besluit van 14 april 2020 en daarop volgende besluiten alleen zien op het ongewijzigd door laten lopen van vaste reiskostenvergoedingen die reeds voor 13 maart 2020 waren toegekend. Daarom heeft het hof terecht geconcludeerd dat belanghebbende aan het beleid geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat zij geen loonheffingen is verschuldigd over de door haar na 12 maart 2020 toegekende vaste reiskostenvergoedingen.
Het oordeel van het hof dat pas met het uitbrengen van een keuze door de werknemer – in dit geval door het plaatsen van een vinkje in het digitale personeelssysteem – een onvoorwaardelijk recht op een reiskostenvergoeding ontstaat, acht de Hoge Raad – anders dan belanghebbende betoogt – cassatieproof.
(Cassatieberoep ongegrond.)