NTFR 2026/218 - Weg met de werkkostenregeling
NTFR 2026/218 - Weg met de werkkostenregeling
1. Complexe regeling geworden
In de zomer van 2025 is een nieuwe evaluatie van de werkkostenregeling (WKR) verschenen. Dat is inmiddels de derde, na eerder in 2014 en 2018. In de tweede zin van de samenvatting schrijft het onderzoeksbureau SEO Economisch Onderzoek al dat de WKR door de complexiteit niet volledig doelmatig is. En dat terwijl deze ooit in de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 werd opgenomen om de loonbelasting eenvoudiger te maken. Ja, daar streefden we toen nog naar. Maar helaas is de WKR al snel verworden tot een draak van een regeling, die een stuk ingewikkelder en vooral oneerlijker is dan haar voorganger. In deze Opinie zal ik pleiten voor een terugkeer naar ‘normaal’, naar de normale vrije vergoedingen en verstrekkingen, die we allemaal op onze klompen konden aanvoelen en waaraan ook grenzen gesteld moesten worden, maar waarvoor geen eigen wereld nodig was met ‘intermediaire kosten’, ‘gerichte vrijstellingen’, ‘nihilwaarderingen’ en ‘vrije ruimtes’.
2. Briljant idee
De oorsprong van de WKR was echt vooruitstrevend qua eenvoud. Onderzoek had uitgewezen dat van alle betalingen aan werknemers 95% als echt loon gezien kon worden en 5% als reële kostenvergoedingen of -verstrekkingen. Het idee was om dan alles op één hoop te gooien en daarvan vervolgens 95% te belasten met een loonsomheffing en 5% vrij te laten. Vervolgens zouden werkgevers zelf mogen bekijken hoe ze het zouden verdelen, want na de betaling van de loonheffing over die 95% van alle betalingen en verstrekkingen was het fiscaal klaar. Loonstroken en jaaropgaven zouden simpel worden, salarisadministrateurs konden ander werk gaan zoeken. Je kon jaloers worden dat je zoiets niet zelf bedacht had.
3. Grote breuk met 2001
Natuurlijk zou dit een grote breuk met de belofte zijn die staatssecretaris Vermeend bij de belastingvereenvoudiging van 2001 in het parlement had gedaan toen hij voor de Wet IB 2001 de aftrek van beroepskosten voor werknemers afschafte. Hij vond dat namelijk niet erg, want als er echte beroepskosten waren, dan zou de werkgever die wel kunnen vergoeden. Mocht dat niet zo zijn, dan kon je een vraagteken zetten bij de aftrekbedoelingen van de werknemer. Hiermee werd de werkgever een soort ‘poortwachter’ van de beroepskosten, maar wel op basis van het stelsel van werkelijke vrije vergoedingen en verstrekkingen. Volgens Vermeend was dat een sterke basis.
Het parlement accepteerde Vermeends vereenvoudigingsplannen van 2001 en vond natuurlijk dat er winnaars en verliezers zouden zijn, maar dat is altijd het geval bij meer eenvoud.
4. Verwatering tot de werkkostenregeling
In de MvT van de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 citeerde de wetgever nog Adam Smith, die in zijn An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations aandacht besteedde aan de administratieve lasten van de heffing van belastingen. De burgers moesten zo weinig mogelijk ‘kwellingen’ ondergaan van de belastinginnig en die moest dan ook zo efficiënt mogelijk plaatsvinden. In 2010 werd de WKR daarvan een voorbeeld, want berekend was een administratieve lastenreductie van € 0,5 miljard per jaar.
Maar helaas was in de aanloop naar de WKR al aan de stoelpoten van de eenvoudige loonsomheffing gezaagd door de sociale partners en andere belanghebbenden in het land. Zij accepteerden niet dat onbelaste reiskostenvergoedingen zouden verdwijnen, net als opleidingskosten, verblijfkosten tijdens het werk en zo steeds meer. Allerlei belangengroepen lieten van zich horen en de staatssecretaris van Financiën kwam daar steeds meer aan tegemoet met uitzonderingen en vrijstellingen, waardoor de 5% vrije ruimte omlaag zakte naar 2% en later zelfs naar 1,2%. Bij de invoering in 2010 was de WKR daarmee al sterk verwaterd en mocht deze de naam ‘vereenvoudiging’ eigenlijk niet meer dragen. Het was niet voor niets dat er een gewenningsperiode kwam van 2011 tot 2015, waarna de WKR pas verplicht ingevoerd werd, want niemand was echt blij met deze halfslachtige regeling.
5. Problemen met aanwijzen
Een van de lastige onderdelen van de WKR werd dat een betaling moest worden aangewezen als eindheffingsloon om gebruik te kunnen maken van een gerichte vrijstelling of nihilwaardering. Het SEO-evaluatierapport gaat hierop in en geeft als aanbeveling om in het Handboek Loonheffingen een aantal voorbeelden op te nemen over hoe aanwijzen geregeld kan worden, zodat werkgevers meer juridische houvast hebben. Dat vind ik een goed idee, want zelf kan ik ook slecht onthouden hoe het nou ook alweer moet met dat aanwijzen. Dat zal komen omdat ik niet begrijp waarom het aanwijzen nodig is, en overbodige zaken blijven niet in mijn hersenen hangen. Maar het is toch wel belangrijk om het aanwijzen goed te doen, want anders vallen ook toegestane gerichte vrijstellingen en nihilwaarderingen gewoon onder de loonheffing.