Geen immateriële schadevergoeding wegens ondeugdelijk taxatierapport in BPM-zaak
Geen immateriële schadevergoeding wegens ondeugdelijk taxatierapport in BPM-zaak
Gegevens
- Nummer
- 2026/166
- Publicatiedatum
- 3 februari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Formeel belastingrecht
- Relevante informatie
Belanghebbende koopt in 2022 een BMW 7-serie 740LI in Duitsland en doet BPM-aangifte op basis van een taxatierapport waarin zeer omvangrijke schade en een zeer lage handelsinkoopwaarde zijn opgenomen. DRZ stelt bij controle vast dat geen schade aanwezig is en komt tot een aanzienlijk hogere handelsinkoopwaarde, waarna de inspecteur een naheffingsaanslag oplegt. De rechtbank oordeelt dat op belanghebbende de bewijslast rust voor de gestelde waardevermindering en dat zijn taxatierapport, gelet op de gebreken, niet bruikbaar is voor de vaststelling van de verschuldigde BPM. De rechtbank acht met name relevant dat de in het rapport opgenomen schade niet door DRZ is waargenomen, de gestelde handelsinkoopwaarde slechts een fractie is van de aankoopprijs en in het taxatierapport zonder nadere toelichting 82% van de gecalculeerde reparatiekosten inclusief een niet nader onderbouwde stelpost van € 1.660 wegens schadeverleden in mindering is gebracht. Ook de grote afwijking tussen aankoopprijs en de in het rapport vermelde handelsinkoopwaarden blijft onverklaard. De gemachtigde erkent ter zitting dat het rapport niet waar kan zijn, hetgeen de rechtbank als verwerpelijk kwalificeert en reden is om het rapport met toepassing van art. 21 Rv buiten beschouwing te laten. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding stelt de rechtbank voorop dat in beginsel recht bestaat op vergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn, mits sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer. De rechtbank constateert dat de redelijke termijn is overschreden, maar wijst het verzoek af omdat belanghebbende procedeert op basis van een evident ondeugdelijk en onwaar taxatierapport, terwijl de werkelijke financiële inzet – gelet op de feitelijke waardesituatie van de auto – niet aannemelijk boven de drempel van € 1.000 uitkomt. De rechtbank concludeert dat belanghebbende zijn standpunten tegen beter weten inneemt en dat onder deze omstandigheden geen aanleiding bestaat om immateriële schade te vergoeden. De rechtbank volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Het beroep tegen de naheffingsaanslag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.
(Beroep ongegrond.)