Standpunt begrip samenwerkingsverband Wet IB 2001 geactualiseerd

Standpunt begrip samenwerkingsverband Wet IB 2001 geactualiseerd

Gegevens

Nummer
2026/186
Publicatiedatum
6 februari 2026
Auteur
Redactie
Relevante informatie

Het standpunt KG:059:2022:3 van de kennisgroep Resultaat uit Overige Werkzaamheden is aangevuld naar aanleiding van de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 18 februari 2025. Het standpunt is inhoudelijk niet gewijzigd.

Q houdt (middellijk) aandelen in X BV. Q heeft een aanmerkelijk belang in X BV. Q leent een bedrag aan Stichting Y tot maximaal € x tegen 9% rente.

Q zit in de Raad van Toezicht van Stichting Y, samen met twee anderen. Q is geen bestuurder van Stichting Y. Stichting Y is niet transparant. De stichting drijft een onderneming. De betaalde rente op de schuld aan Q komt in aftrek bij Stichting Y. Stichting Y is vrijgesteld voor de vennootschapsbelasting op grond van art. 6, Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Stichting Y heeft geen ander vermogen dan dat afkomstig van de lening van Q.

In de tussen partijen opgemaakte overeenkomsten is onder andere het volgende opgenomen. Het resultaat van Stichting Y vloeit middels een vergoeding naar X BV op basis van een overeenkomst. De te betalen vergoeding door Stichting Y is: omzet – verliezen – rente – reservering. De fee kan echter nooit lager dan nihil zijn. De vergoedingen worden alleen uitbetaald als de verliezen geheel gedekt zijn door de gegenereerde omzet. Per saldo zal de stichting geen winst behalen. De reservering dekt de (overige) kosten, het resterende resultaat komt als vergoeding volledig bij X BV terecht.

Vraag

Valt de lening van Q aan Stichting Y onder de terbeschikkingstellingsregeling op grond van artikel 3.92, eerste lid onderdeel b Wet IB 2001?

Antwoord

Ja, de lening valt onder artikel 3.92, eerste lid onderdeel b Wet IB 2001. We leggen het begrip samenwerkingsverband ruim uit in die zin dat bovenstaand economisch samenwerkingsverband ook daaronder dient te worden begrepen.