Geen consolidatie van werkmaatschappijen met onroerendgoed-bv’s (art. 4 lid 4 WBRV)

Geen consolidatie van werkmaatschappijen met onroerendgoed-bv’s (art. 4 lid 4 WBRV)

Gegevens

Nummer
2026/192
Publicatiedatum
6 februari 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:202
Rubriek
Belastingen van rechtsverkeer
Relevante informatie

De ouders A en B houden alle aandelen in belanghebbende. Belanghebbende heeft bij een afsplitsing alle aandelen in vier onroerendgoed-bv’s verkregen. Drie van de vier bv’s houden elk een belang van 5% in een afzonderlijke werkmaatschappij waarin tuincentra worden geëxploiteerd. De resterende 95% van het belang in die drie werkmaatschappijen is in handen van de zonen van de ouders. In geschil is of voor de verkrijging van de aandelen in de bv’s bij de afsplitsing overdrachtsbelasting is verschuldigd. De Hoge Raad stelt de inspecteur in het gelijk. Voor de toepassing van art. 4 lid 4 letter a WBRV (toerekeningsbepaling bij belang van meer dan een derde in werkmaatschappij) is het niet mogelijk het belang van de zonen in de werkmaatschappijen mee te tellen bij de beoordeling van de belangen van de drie bv’s in die werkmaatschappijen, omdat daarvoor is vereist dat de zonen ook een belang hebben in deze bv’s. Het cassatiemiddel doet tevergeefs een beroep op een taalkundige en teleologische uitleg van de wet. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep daarom ongegrond.