Aftrekbeperking onderhoudskosten monumentenpand rechtmatig toegepast

Aftrekbeperking onderhoudskosten monumentenpand rechtmatig toegepast

Gegevens

Nummer
2026/655
Publicatiedatum
28 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:2089
Rubriek
Inkomstenbelasting diversen
Relevante informatie

Belanghebbende is sinds 2004 eigenaar van een rijksmonumentenpand dat als eigen woning dient. In 2018 brengt hij onderhoudskosten in aftrek bij zijn aangifte inkomstenbelasting, waarvan de inspecteur 80% in aanmerking neemt op grond van art. 6.31 Wet IB 2001. Eerdere procedures over de hoogte van de persoonsgebonden aftrek voor voorgaande jaren zijn tot aan de Hoge Raad gevoerd, waarbij de vastgestelde bedragen telkens zijn bevestigd. Voor 2018 stelt de inspecteur de nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek vast op € 39.731. In geschil is of de inspecteur de persoonsgebonden aftrek ultimo 2018 terecht op € 39.731 heeft vastgesteld en of de wettelijke beperking tot 80% van de onderhoudskosten monumentenpand rechtmatig is. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de inspecteur terecht slechts 80% van de onderhoudskosten in aanmerking heeft genomen. De wettelijke regeling en het overgangsrecht laten geen ruimte voor een ruimere aftrek. De omstandigheid dat belanghebbende het onderhoud pas na 2013 kon uitvoeren, omdat toen pas duidelijk werd dat de schuren ook als monument werden aangemerkt, doet daar niet aan af. Ook als de vertraging aan de inspecteur zou zijn toe te rekenen, biedt de wet geen grond om af te wijken van de 80%-regel. Het hof ziet geen aanleiding om voor 2018 anders te oordelen. Verder bevestigt het hof dat de beperking tot 80% niet in strijd is met art. 1 EP EVRM, zoals de rechtbank reeds heeft geoordeeld. Ten aanzien van de stand van de persoonsgebonden aftrek sluit het hof zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat het bedrag van € 39.731 juist is vastgesteld, mede gelet op de uitkomsten van eerdere procedures.

(Hoger beroep ongegrond.)