Verkorting looptijd 30%-regeling kan door de (internationaalrechtelijke) beugel
Verkorting looptijd 30%-regeling kan door de (internationaalrechtelijke) beugel
Gegevens
- Nummer
- 2026/233
- Publicatiedatum
- 13 februari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Arbeid, loon en resultaat
- Relevante informatie
Belanghebbende maakt gebruik van de 30%-regeling. In de beschikking is conform de toenmalige wettelijke regeling een looptijd vermeld van 1 december 2011 t/m 30 november 2021. Per 1 januari 2019 is de wet gewijzigd en is de looptijd voor de 30%-regeling teruggebracht tot maximaal vijf jaar. Daarbij is overgangsrecht geregeld waarbij – onder omstandigheden – de oude wettelijke 30%-regeling van toepassing blijft, maar uiterlijk t/m 31 december 2020. Met ingang van 1 januari 2021 heeft de werkgever bij de inhouding van loonheffing van belanghebbende niet langer de 30%-regeling toegepast. Hiertegen heeft belanghebbende tevergeefs bezwaar, beroep en hoger beroep aangetekend. Volgens hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2024:3557, ) is de wetswijziging die heeft geleid tot verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling niet onrechtmatig ten aanzien van belastingplichtigen als belanghebbende, aan wie op grond van de eerder geldende wettelijke regeling toepassing van de 30%-regeling voor een langere termijn is toegestaan. Van strijd met internationale verdragen is geen sprake. De Hoge Raad sluit zich hierbij aan. Het hof heeft het juiste toetsingskader gehanteerd. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid die niet is verdisconteerd in de afweging van de wetgever. In dit kader is niet relevant (i) of de wetgever de gevolgen van de wettelijke regeling voor bepaalde groepen gevallen voldoende heeft onderzocht, en evenmin (ii) of de motivering die de wetgever voor de regeling heeft gegeven, als een toereikende rechtvaardiging voor die regeling kan worden beschouwd. Geen van beide omstandigheden kan ertoe leiden dat de toepassing van een wet in formele zin achterwege moet blijven wegens strijd met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht.
Het beperkte overgangsrecht is ook niet in strijd met art. 1 EP EVRM. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de onderhavige verandering in de fiscale wetgeving valt binnen de ruime beoordelingsmarge die de wetgever hier toekomt. Het beperkte overgangsrecht is evenmin in strijd met verdragsbepalingen die discriminatie verbieden.
De Hoge Raad merkt nog op dat de oordelen gelden ongeacht de oorspronkelijke looptijd van de 30%-regeling (tien jaar dan wel acht jaar), en ook ongeacht de begin- en einddatum die zijn genoemd in de beschikking waarbij toepassing van de 30%-regeling is toegestaan. Ook in gevallen waarin de looptijd van de 30%-regeling en de begin- dan wel einddatum volgens de beschikking een andere is dan in dit geval, bestaat daarom geen aanleiding het beperkte overgangsrecht van art. XIV van het Belastingplan 2019 buiten toepassing te laten wegens strijd met algemene rechtsbeginselen of met verdragsrecht.
(Cassatieberoep ongegrond.)
Deze samenvatting ziet ook op de arresten HR 13 februari 2026, nr. 25/00134, ECLI:NL:HR:2026:244 en nr. 25/00135, ECLI:NL:HR:2026: 245.