Voorbelasting bij verhuur nieuwbouwappartement aan particulier herzien omdat subjectief voornemen tot belaste verhuur niet voldoende is (art. 81.1 Wet RO)

Voorbelasting bij verhuur nieuwbouwappartement aan particulier herzien omdat subjectief voornemen tot belaste verhuur niet voldoende is (art. 81.1 Wet RO)

Gegevens

Nummer
2026/239
Publicatiedatum
13 februari 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:255
Rubriek
Omzetbelasting
Relevante informatie

Belanghebbende heeft in 2008 een nieuwbouwappartement gekocht dat in 2009 is opgeleverd. Hij heeft het appartement tot zijn ondernemingsvermogen gerekend en de ter zake van de bouw in 2008 en 2009 in rekening gebrachte omzetbelasting teruggevraagd. De inspecteur heeft de voorbelasting over 2010 t/m 2014 herzien en nageheven en daarnaast over 2010 een naheffingsaanslag opgelegd voor het totale bedrag van de voorbelasting op de bouw. Daarover hebben de rechtbank en het hof al eerder beslist. Met betrekking tot de onderhavige jaren (2014 t/m 2018) oordeelt de rechtbank dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt voor zover het 2014 betreft en dat de inspecteur over 2015 t/m 2018 de voorbelasting op de bouw terecht heeft gecorrigeerd. In het principaal hoger beroep is in geschil of terecht is nageheven, en in het incidenteel hoger beroep of het vertrouwen is gewekt dat naheffing achterwege zou blijven voor 2014.

Het hof (hof Den Haag 19 oktober 2023, nrs. 21/00563 t/m 21/00565, ECLI:NL:GHDHA:2023:2083, NTFR 2024/182) overweegt allereerst dat het de stukken die belanghebbende kort voor de zitting heeft ingediend niet tardief verklaart en dat de inspecteur door het in aanmerking nemen van de stukken niet in zijn procesbelangen wordt geschaad. Voor zover de inspecteur bepaalde stukken niet heeft overgelegd, verbindt het hof daaraan geen gevolgen en ook niet aan de FSV-registratie van belanghebbende. Ook oordeelt het hof dat de hoorplicht en het inzagerecht niet zijn geschonden. Wat betreft het beroep op het vertrouwensbeginsel dat voor 2015 t/m 2018 naheffing en herziening achterwege zouden blijven, sluit het hof zich aan bij het oordeel en de gronden in de uitspraak van de rechtbank. Anders dan de rechtbank is het hof echter van oordeel dat belanghebbende aan de vorige procedure niet het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de inspecteur geen naheffingsaanslag meer zou opleggen voor de verschuldigde belasting ter zake van de herziening over 2014. Van een toezegging of een standpuntbepaling is geen sprake. Het hof sluit zich ook aan bij het oordeel van de rechtbank dat de inspecteur terecht over 2015 t/m 2018 de voorbelasting op de bouw heeft gecorrigeerd omdat niet sprake was van het voornemen tot belaste verhuur van het appartement. Het hof acht verklaringen van makelaars te mager om tot de conclusie te komen dat wel sprake is van een voornemen tot belaste verhuur. Belanghebbende kan wellicht zakelijke, belaste verhuur voor ogen hebben gehad, maar dit voornemen is niet realistisch gelet op alle feiten en omstandigheden die van het appartement bekend zijn. Een subjectief voornemen is niet voldoende. De stelling van belanghebbende dat de inspecteur niet tweemaal een naheffingsaanslag over dezelfde tijdvakken kan opleggen, faalt. Er is voorts nog een geschil over het bedrag voor het vierde kwartaal 2016. Belanghebbende heeft verlegde omzet in zijn aangifte voor het vierde kwartaal 2016 vermeld teneinde een betalingskenmerk te verkrijgen. Hoewel het hof de gedachte hierachter niet kan doorgronden, ziet het geen andere verklaring voor de vermelding. Daarom vermindert het hof de naheffingsaanslag voor een deel. De stelling dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel en détournement de pouvoir is onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. Omdat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden, veroordeelt het hof de Staat tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende.

De Hoge Raad heeft het ingestelde cassatieberoep ongegrond verklaard onder verwijzing naar art. 81.1 Wet RO.