Verlies uit verkoop chalet in 2018 kan (ook) niet in aanslag IB/PVV 2019 worden afgetrokken (n-o)
Verlies uit verkoop chalet in 2018 kan (ook) niet in aanslag IB/PVV 2019 worden afgetrokken (n-o)
Gegevens
- Nummer
- 2026/275
- Publicatiedatum
- 20 februari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Inkomsten uit vermogen/Inkomen uit sparen en beleggen
- Relevante informatie
Belanghebbende heeft op 9 april 2018 een chalet op een vakantiepark gekocht met de intentie dit te verhuren aan een gezin en niet zelf te gebruiken. Voor het verblijf ontving hij een beperkte vergoeding. Op 28 december 2018 heeft belanghebbende het chalet weer verkocht, waarbij hij een vermogensverlies van € 19.500 heeft geleden. De verkoopopbrengst ontving hij in 2019. In de aangifte IB/PVV 2019 heeft hij dit bedrag opgegeven als restant persoonsgebonden aftrek, omdat hij het verlies niet elders in de aangifte kon invoeren.
In geschil is of het verlies op het chalet alsnog in 2018 in aftrek kan worden gebracht. Partijen zijn het erover eens dat geen aftrek mogelijk is in 2019, zoals door de rechtbank reeds was beslist.
Hof Den Bosch (6 augustus 2025, ) heeft geoordeeld dat het verzoek niet kan worden toegewezen, omdat het hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op de aanslag over het jaar 2019. De aanslag IB/PVV 2018 is onherroepelijk geworden, aangezien daartegen geen bezwaar of beroep is ingesteld, zodat het hof deze niet kan beoordelen.
Ten overvloede heeft het hof zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank dat zelfs als belanghebbende tijdig bezwaar tegen de aanslag 2018 had gemaakt, het verlies niet aftrekbaar zou zijn geweest. Het chalet behoort namelijk niet tot box 1, maar tot het vermogen in box 3. Omdat het belastbaar inkomen in box 3 niet negatief kan zijn, levert het geen verlies op dat met het inkomen in box 1 verrekend kan worden. Ook is de investering niet aan te merken als durfkapitaal als bedoeld in de inmiddels beëindigde regeling.
De Hoge Raad heeft het ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de cassatieberoepstermijn.