Winstallocatie vaste inrichting buitenland: Profit Split-methode geschikt, geen omkering bewijslast
Winstallocatie vaste inrichting buitenland: Profit Split-methode geschikt, geen omkering bewijslast
Gegevens
- Nummer
- 2026/298
- Publicatiedatum
- 24 februari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Internationaal en Europees
- Relevante informatie
Belanghebbende verkoopt en verhuurt bruggen. Zij heeft in het buitenland een vaste inrichting (VI) voor de uitvoering van een omvangrijk bruggenproject. De VI groeit van één naar drie werknemers in de periode 2018-2020 en is verantwoordelijk voor lokale projectleiding, kwaliteitscontrole, logistiek, bouwbegeleiding en contacten met de overheid. Het hoofdhuis in Nederland ontwerpt, organiseert export en ondersteunt operationeel. Belanghebbende dient aangiften vennootschapsbelasting in waarin zij 30% van de winst aan de VI toerekent via de Profit Split-methode (PSM), onderbouwd met transfer pricing-documentatie. De inspecteur wijst deze methode af, acht de VI ondersteunend en routinematig, en past de Transaction Net Margin-methode (TNMM) toe met een winsttoerekening van 15%, gebaseerd op een benchmarkanalyse. De aanslagen worden opgelegd naar lagere objectvrijstelling dan in de aangiften.
In geschil is de hoogte van de objectvrijstelling en de juiste methode voor winstallocatie aan de VI: PSM of TNMM. Tevens is in geschil of belanghebbende de vereiste aangiften heeft gedaan en omkering en verzwaring van de bewijslast moet worden toegepast. De rechtbank oordeelt dat omkering en verzwaring van de bewijslast niet aan de orde is, omdat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat belanghebbende bewust een onjuiste aangifte heeft gedaan. Belanghebbende heeft haar standpunt over de winstallocatie uitvoerig onderbouwd en mocht redelijkerwijs menen dat haar aangifte juist was. De rechtbank toetst vervolgens de functionele analyse en stelt vast dat de VI een essentiële en waardevolle rol vervult in het project, met geïntegreerde activiteiten en gezamenlijke risicodraging door hoofdhuis en VI. De werkzaamheden van de projectleider zijn omvangrijker dan enkel toezicht houden; hij beheerst lokale risico’s, coördineert uitvoering, selecteert onderaannemers en is verantwoordelijk voor oplevering. De rechtbank acht de PSM, gezien de verwevenheid van functies en risico’s, een geschikte allocatiemethode en vindt onvoldoende onderbouwing bij de inspecteur voor het standpunt dat de toegepaste winstallocatie onzakelijk is. De rechtbank volgt de door belanghebbende toegepaste winstverdeling van 70% hoofdhuis en 30% VI.
(Beroep gegrond.)