Bewijsvermoeden dat splitsing onzakelijk is bij aandelenvervreemding binnen drie jaar (art. 14a lid 6 Wet Vpb 1969) is in strijd met Fusierichtlijn
Bewijsvermoeden dat splitsing onzakelijk is bij aandelenvervreemding binnen drie jaar (art. 14a lid 6 Wet Vpb 1969) is in strijd met Fusierichtlijn
Gegevens
- Nummer
- 2026/330
- Publicatiedatum
- 27 februari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Vennootschapsbelasting/Dividendbelasting
- Relevante informatie
Belanghebbende is een uitvaartverzekeraar die deel uitmaakt van een concern van verzekeringsmaatschappijen en van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De Nederlandse Bank (DNB) heeft belanghebbende onder curatele gesteld vanwege onder meer (een geschil met de Belastingdienst over) de herverzekeringen en de precaire kapitaalpositie. Op verzoek van DNB heeft de civiele rechter het concern gedwongen om de verzekeringsonderneming van belanghebbende aan een derde te verkopen voor € 1. Die verkoop kreeg de vorm van juridische afsplitsing: de onderneming van belanghebbende is met achterlating van belastingschulden van de fiscale eenheid onder algemene titel overgegaan op een nieuw opgerichte verkrijgende vennootschap tegen uitreiking van één aandeel dat vervolgens aan de externe koper is verkocht.
In geschil is of de afsplitsing overwegend was gericht op ontgaan of uitstel van belastingheffing zoals bedoeld in art. 14a lid 6 Wet Vpb 1969, waardoor moet worden afgerekend in de vennootschapsbelasting. Volgens hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2022:8228, ) moet belanghebbende bewijzen dat sprake is van zakelijke overwegingen. De verkoop via splitsing heeft volgens het hof als hoofddoel het ontwijken van vennootschapsbelasting, zodat belanghebbende niet in haar bewijslast is geslaagd.
De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak omdat de bewijslast onjuist is verdeeld. In de antimisbruikbepaling van art. 14a lid 6 Wet Vpb 1969 is een algemeen vermoeden van het ontbreken van zakelijke overwegingen voor een splitsing opgenomen als binnen drie jaar na de splitsing de aandelen worden vervreemd. Een dergelijk algemeen vermoeden is in strijd met de Fusierichtlijn, zodat het hof dit bewijsvermoeden ten onrechte heeft toegepast. De Hoge Raad verwijst de zaak naar hof Den Bosch en merkt in dat verband op dat voor de beoordeling of aan de splitsing zakelijke overwegingen ten grondslag liggen bepalend is dat zowel het einddoel als de keuze van de weg naar dat einddoel, door zakelijke overwegingen is ingegeven. Daarbij is het niet uitgesloten dat aandeelhoudersmotieven, zoals de wens om de af te splitsen activiteiten te verkopen, zakelijke overwegingen opleveren.
(Volgt vernietiging en verwijzing.)