Standpunt invulling ‘verdragsvaste inrichting’
Standpunt invulling ‘verdragsvaste inrichting’
Gegevens
- Nummer
- 2026/328
- Publicatiedatum
- 27 februari 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Internationaal en Europees
- Relevante informatie
De kennisgroep Pijler 2 heeft een vraag beantwoord over de ‘verdragsvaste inrichting’ (artikel 1.2, eerste lid, definitie vaste inrichting, onderdeel a, Wet minimumbelasting 2024).
De vraag richt zich met name op de invulling van het wettelijk vereiste dat de bronstaat het inkomen dat toerekenbaar is aan die inrichting in aanmerking neemt op grond van een bepaling die vergelijkbaar is met artikel 7 van het OESO-modelverdrag.
Aan de kennisgroep is een vraag gesteld over de ‘verdragsvaste inrichting’, zoals opgenomen in de definitie van het begrip vaste inrichting in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, Wet minimumbelasting 2024 (WMB 2024). De vraag richt zich met name op de invulling van het wettelijk vereiste dat de bronstaat het inkomen dat toerekenbaar is aan die inrichting in aanmerking neemt op grond van een bepaling die vergelijkbaar is met artikel 7 van het OESO-modelverdrag. Dit geeft aanleiding tot de volgende deelvragen.
Vragen
Is voor de kwalificatie als verdragsvaste inrichting als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, WMB 2024 vereist dat het aan de vaste inrichting toerekenbare inkomen in de belastingheffing wordt betrokken krachtens de wet van de staat waar de vaste inrichting is gelegen?
Als het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, op welke wijze moet de bronstaat (de staat waar de vaste inrichting is gelegen) het aan de vaste inrichting toerekenbare inkomen in de belastingheffing betrekken?
Antwoorden
Ja. Voor de kwalificatie als een verdragsvaste inrichting in de zin van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, WMB 2024 moet sprake zijn van een vaste inrichting in de zin van het toepasselijke belastingverdrag én moet het aan de vaste inrichting toerekenbare inkomen in de belastingheffing worden betrokken krachtens de wet van de staat waar de vaste inrichting is gelegen.
Artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, WMB 2024 vereist daarnaast dat de bronstaat het heffingsrecht heeft over het aan de vaste inrichting toerekenbare inkomen ingevolge een bepaling die vergelijkbaar is met artikel 7 van het OESO-modelverdrag. In de wettekst ligt tevens besloten dat de bronstaat het aan de vaste inrichting toerekenbare inkomen op nettobasis in de belastingheffing moet betrekken en op een manier die vergelijkbaar is met de belastingheffing van entiteiten die hun fiscale vestigingsplaats in die bronstaat hebben.