Kabinet licht regels vruchtwisseling en landbouwvrijstelling toe
Kabinet licht regels vruchtwisseling en landbouwvrijstelling toe
Gegevens
- Nummer
- 2026/381
- Publicatiedatum
- 10 maart 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Inkomstenbelasting diversen
In de beantwoording van Kamervragen lichten de staatssecretaris van Financiën en de minister van Landbouw toe hoe het recente beleidsbesluit over vruchtwisseling zich verhoudt tot de landbouwvrijstelling en andere fiscale regelingen.
Het kabinet bevestigt dat vruchtwisseling zowel relevant is voor de toepassing van de landbouwvrijstelling als voor de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (BOR) en de doorschuifregeling aanmerkelijk belang (DSR ab). Tegelijkertijd kan het effect van vruchtwisseling op deze faciliteiten verschillend zijn. De landbouwvrijstelling is in beginsel niet van toepassing wanneer grond ter beschikking wordt gesteld aan een ander, tenzij sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling vanuit het perspectief van de grondeigenaar.
Beleidsbesluit verduidelijkt bestaande praktijk
Het recent gepubliceerde beleidsbesluit is volgens het kabinet een actualisering van het eerdere besluit uit 2018 en codificeert grotendeels de werkafspraak die de Belastingdienst in 2014 met LTO Nederland heeft gemaakt. In die werkafspraak gold al dat grond die voor één jaar ter beschikking wordt gesteld in beginsel als vruchtwisseling kan worden aangemerkt, mits duidelijk is dat dit daadwerkelijk om vruchtwisseling gaat en niet om andere redenen, zoals derogatie.
Het beleidsbesluit biedt volgens het kabinet meer duidelijkheid en transparantie over het standpunt van de Belastingdienst. Hoewel sommige voorwaarden op het eerste gezicht strikter lijken, bieden zij volgens het kabinet juist meer ruimte om rekening te houden met de concrete feiten en omstandigheden van een geval. Ook wordt in het besluit vastgelegd dat de overeenkomst tussen de eigenaar en gebruiker van de grond schriftelijk moet worden vastgelegd, om de bewijspositie van agrariërs te verbeteren.
Landbouwvrijstelling en bewijs van vruchtwisseling
Voor toepassing van de landbouwvrijstelling moet de terbeschikkingstelling van grond noodzakelijk zijn voor de bodemgesteldheid en de verbetering van de grond, met als doel de kwaliteit van de daarop te telen gewassen te behouden of te verbeteren. Wanneer een grondeigenaar zelf al rustgewassen of niet-uitputtende gewassen teelt, bestaat volgens het kabinet geen noodzaak om de grond ter beschikking te stellen. In dat geval geldt de landbouwvrijstelling niet voor de periode dat de grond niet in het eigen landbouwbedrijf wordt gebruikt.
De noodzaak van vruchtwisseling moet aannemelijk worden gemaakt. Dat kan bijvoorbeeld met vakstudies of door een bouwplan waaruit blijkt dat vruchtwisseling noodzakelijk is. Een schriftelijke overeenkomst helpt volgens het kabinet om duidelijkheid te bieden voor zowel de belastingplichtige als de Belastingdienst.
Tot slot benadrukt het kabinet dat het beleidsbesluit inhoudelijk niet wezenlijk afwijkt van de uitgangspunten die sinds 2014 worden gehanteerd. Over fiscale vraagstukken in de landbouw blijft overleg plaatsvinden met vertegenwoordigers van de sector via het Platform Landbouw.