Kwijtschelding rekening-courantschuld dga leidt tot regulier voordeel uit aanmerkelijk belang

Kwijtschelding rekening-courantschuld dga leidt tot regulier voordeel uit aanmerkelijk belang

Gegevens

Nummer
2026/375
Publicatiedatum
10 maart 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:22443
Rubriek
Aanmerkelijk belang/Directeur-grootaandeelhouder
Relevante informatie

Een familie exploiteert via werk‑bv’s een rijschool, waarbij ieder gezinslid een eigen persoonlijke holding heeft die een aanmerkelijk belang houdt. Op de balans van de persoonlijke holding stond jarenlang een rekening-courantvordering op de dga, die ook als schuld in diens aangifte IB/PVV was opgenomen. In de aangiften Vpb van de holdings is over meerdere jaren een aanzienlijk oplopende rekening‑courantvordering op de aandeelhouder opgenomen, met corresponderende rekening‑courantschuld in de aangiften IB/PVV box 3. In 2016 is na een bestuurs- en adreswijziging een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin de nieuwe bestuurder stelde dat de rekening-courantschuld niet bestond en deze werd kwijtgescholden. De inspecteur heeft vervolgens het kwijtgescholden bedrag als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in box 2 in aanmerking genomen. In geschil is of door de kwijtschelding van de rekening-courantschuld een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang is genoten. De rechtbank acht aannemelijk dat de rekening-courantschuld daadwerkelijk heeft bestaan tot het moment van kwijtschelding, gelet op de consistente opname in de jaarrekeningen en aangiften van zowel de bv als de dga, en het ontbreken van bewijs voor het tegendeel. De kwijtschelding leidt tot een bevoordeling van de dga als aandeelhouder, aangezien vermogen van de bv zonder zakelijke reden op hem is overgegaan, hetgeen kwalificeert als verkapt dividend en daarmee als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. De rechtbank verwerpt het verweer dat de schuld nooit heeft bestaan, omdat dit slechts is onderbouwd met niet-verifieerbare stellingen en ontbrekende stukken. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel, de menselijke maat en het eigendomsrecht slaagt niet, omdat de aanslag niet leidt tot een individuele en buitensporige last en de inspecteur voldoende oog heeft gehad voor de omstandigheden van het geval. Gezien de omvang van de correctie is de vereiste aangifte niet gedaan, zodat de bewijslast terecht is omgekeerd en verzwaard. In de zaak van de dochter wordt wegens voorwaardelijk opzet een vergrijpboete van 50% passend geacht, maar die wordt wegens overschrijding van de redelijke termijn met 20% verminderd. In alle zaken wordt een beperkte immateriële schadevergoeding toegekend wegens die termijnoverschrijding.

(Beroep ongegrond.)