Geen proceskostenvergoeding bij ambtshalve vermindering toeristenbelasting wegens eigen nalatigheid

Geen proceskostenvergoeding bij ambtshalve vermindering toeristenbelasting wegens eigen nalatigheid

Gegevens

Nummer
2026/376
Publicatiedatum
10 maart 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:19456
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

Belanghebbende exploiteert een accommodatie waarvoor toeristenbelasting verschuldigd is. Voor de jaren 2023 en 2024 zijn ambtshalve aanslagen toeristenbelasting opgelegd, omdat geen aangiften zijn ingediend. Na bezwaar zijn de aanslagen uit coulance verminderd tot het aantal overnachtingen dat achteraf is opgegeven, maar is geen proceskostenvergoeding toegekend. Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op proceskostenvergoeding en dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. De rechtbank overweegt dat op grond van art. 7:15 lid 2 Awb alleen recht op proceskostenvergoeding bestaat als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In dit geval zijn de aanslagen opgelegd omdat geen aangiften zijn gedaan. De vermindering volgt uit het alsnog verstrekken van gegevens door belanghebbende. De herroeping is daarom niet te wijten aan een fout van de heffingsambtenaar, maar aan het handelen van belanghebbende zelf. Indien belanghebbende tijdig juiste aangiften had ingediend, waren de aanslagen direct juist vastgesteld. De rechtbank oordeelt daarom dat geen recht bestaat op proceskostenvergoeding. Ten aanzien van het horen in bezwaar overweegt de rechtbank dat de heffingsambtenaar op grond van art. 7:3 onderdeel e Awb mocht afzien van horen, omdat volledig aan het bezwaar is tegemoetgekomen. Dit geldt ook voor bijkomende verzoeken zoals proceskostenvergoeding, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1619, NTFR 2019/2680). De stelling dat niet alle relevante stukken zijn overgelegd, wordt verworpen omdat belanghebbende zelf over de aangiften beschikt.

(Beroep ongegrond.)