Terecht belastingrente berekend over terugbetalen voorlopige teruggaaf omdat belanghebbende tijdig kon ingrijpen

Terecht belastingrente berekend over terugbetalen voorlopige teruggaaf omdat belanghebbende tijdig kon ingrijpen

Gegevens

Nummer
2026/414
Publicatiedatum
17 maart 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:184
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

Belanghebbende ontvangt op 15 januari 2020 voor 2020 een voorlopige teruggaaf IB/PVV ten bedrage van € 2.162. Gedurende 2020 vraagt belanghebbende geen wijziging of stopzetting van de voorlopige teruggaaf aan. De aangifte IB/PVV 2020 wordt na uitstel in februari 2023 ingediend. De definitieve aanslag volgt in april 2023, waarbij na verrekening met de voorlopige teruggaaf een te betalen bedrag resteert van € 1.132. Over het te betalen bedrag wordt € 86 belastingrente in rekening gebracht In geschil is of de beschikking belastingrente terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld.

Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de inspecteur de belastingrente conform de wettelijke bepalingen heeft berekend. De relevante bepalingen uit de AWR schrijven voor dat belastingrente wordt berekend als een aanslag met te betalen bedrag wordt vastgesteld zes maanden na afloop van het belastingjaar, waarbij het percentage wettelijk is vastgesteld op ten minste 4%. De stelling dat het niet de bedoeling was een voorlopige teruggaaf te krijgen slaagt niet. Belanghebbende had om een stopzetting kunnen verzoeken maar heeft dat niet gedaan. De stelling dat communicatie met de inspecteur door de COVID-19-pandemie niet mogelijk was, verwerpt het hof omdat de inspecteur onweersproken heeft verklaard dat communicatie telefonisch, schriftelijk en digitaal mogelijk bleef. Het bezwaar van belanghebbende tegen het rentepercentage slaagt niet, omdat het percentage wettelijk is voorgeschreven en het hof niet bevoegd is de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen. Voor zover het besluit tot vaststelling van het percentage aan algemene rechtsbeginselen kan worden getoetst, heeft belanghebbende onvoldoende geconcretiseerd waarom sprake zou zijn van strijd met deze beginselen of met verdragsrecht.

(Hoger beroep ongegrond.)