Geen lijfrentepremieaftrek voor gestaakte onderneming en latere inbreng in bv
Geen lijfrentepremieaftrek voor gestaakte onderneming en latere inbreng in bv
Gegevens
- Nummer
- 2026/416
- Publicatiedatum
- 17 maart 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Inkomensvoorzieningen en pensioenen
- Relevante informatie
Belanghebbende drijft tot eind 2017 een eenmanszaak gericht op het beheer van een assurantieportefeuille. In december 2017 vraagt hij vooroverleg aan over de voorgenomen inbreng van zijn onderneming in een nog op te richten bv, waarbij hij een lijfrente wil bedingen. De inspecteur stemt in februari 2018 in met een inbrengwaarde van € 195.000. In maart 2018 richt belanghebbende de bv op en brengt hij volgens de akte zijn onderneming per 1 januari 2018 in, met een lijfrentevoorziening van € 165.000. In april 2018 ontvangt belanghebbende een ‘eindafrekening samenwerking’ inzake de assurantieportefeuille betrekking hebbend op de beëindiging van de samenwerking eind 2017. Deze samenwerking is wegens disfunctioneren beëindigd. In zijn aangifte IB/PVV 2017 geeft belanghebbende een stakingswinst van € 195.000 aan en trekt € 200.000 aan stakingslijfrentepremie af. De inspecteur legt na een derdenonderzoek een navorderingsaanslag op, waarbij de stakingswinst wordt verhoogd en de lijfrenteaftrek wordt gecorrigeerd naar nihil. In geschil is of sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, of de inspecteur door het vooroverleg vertrouwen heeft gewekt over de waarde van de onderneming en of belanghebbende recht heeft op lijfrentepremieaftrek. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur pas na het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2017 op de hoogte raakt van de staking van de onderneming in 2017 en de feitelijke gang van zaken rond de overdracht van de portefeuille. Dit vormt een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Het vooroverleg met de inspecteur ziet uitsluitend op de waarde van de onderneming, niet op de voorwaarden voor lijfrenteaftrek bij staking. Omdat belanghebbende zijn onderneming in 2017 heeft gestaakt, kan deze niet in 2018 in de bv worden ingebracht en is geen sprake van een lijfrente als tegenprestatie voor overdracht van de onderneming. Belanghebbende voldoet daarom niet aan de voorwaarden voor lijfrentepremieaftrek. De navorderingsaanslag is terecht en tot het juiste bedrag opgelegd. Ook de beschikking belastingrente is juist vastgesteld.
(Beroep ongegrond.)