Bestuursorgaan mag na inhoudelijke beoordeling bezwaar in uitzonderingsgevallen in (hoger) beroep stellen dat bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is

Bestuursorgaan mag na inhoudelijke beoordeling bezwaar in uitzonderingsgevallen in (hoger) beroep stellen dat bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is

Gegevens

Nummer
2026/435
Publicatiedatum
20 maart 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:451
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

Belanghebbende heeft op 12 juni 2018 bezwaar gemaakt tegen de onderhavige op 5 april 2017 gedagtekende legesaanslag. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. In beroep en hoger beroep heeft de heffingsambtenaar zich alsnog op het standpunt gesteld dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard wegens onverschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Hof Amsterdam (NTFR 2024/1155) heeft dat standpunt gehonoreerd. In cassatie stelt de Hoge Raad voorop dat hij in het arrest HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153, NTFR 2021/2424 heeft geoordeeld dat de rechter (voortaan) de tijdigheid van een bezwaar of beroep in een vorige instantie niet ambtshalve behoort te beoordelen. In dat arrest is echter geen beslissing gegeven over de vraag of het bestuursorgaan na een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar zich voor het eerst in beroep of hoger beroep op het standpunt mag stellen dat het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is. Bij de beantwoording van die vraag heeft als uitgangspunt te gelden dat het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel zich tegen een dergelijk handelen van het bestuursorgaan verzetten. Dit uitgangspunt lijdt echter uitzondering indien (i) de belanghebbende vóór de uitspraak op bezwaar onjuiste of onvolledige feitelijke informatie aan het bestuursorgaan heeft verstrekt of onthouden die van belang is voor de beoordeling van de tijdigheid of van de verschoonbaarheid van de ontijdigheid van het bezwaar, terwijl (ii) die belanghebbende redelijkerwijs had moeten weten dat het bestuursorgaan daardoor niet in staat was de ontvankelijkheid van het bezwaar goed en volledig te beoordelen, en (iii) het bestuursorgaan (mede) op basis van die onjuiste of onvolledige feitelijke informatie (of het ontbreken daarvan), de ontvankelijkheid van het bezwaar heeft aangenomen.

Het oordeel van het hof dat in dit geval aanleiding bestaat voor een uitzondering op het bedoelde uitgangspunt omdat belanghebbende in bezwaar geen juiste weergave van de feiten heeft gegeven, en dat daarom haar beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel moet worden verworpen, acht de Hoge Raad cassatieproof.

(Cassatieberoep gegrond.)