Eerste Kamer verwerpt wet tegen ongewenste buitenlandse beïnvloeding

Eerste Kamer verwerpt wet tegen ongewenste buitenlandse beïnvloeding

Gegevens

Nummer
2026/456
Publicatiedatum
25 maart 2026
Auteur
Redactie
Rubriek
Algemeen

De Eerste Kamer heeft een wetsvoorstel tegen ongewenste buitenlandse beïnvloeding verworpen. Daarmee komt een einde aan een wetgevingstraject dat vijf jaar geleden begon na een parlementair onderzoek.

De wet moest het mogelijk maken voor burgemeesters en het Openbaar Ministerie om de financiën van bepaalde organisaties te controleren. Zo kon worden nagegaan of zij geld ontvangen uit landen buiten de EU. Zulke financiering kan volgens het kabinet een risico vormen voor de democratische rechtsstaat.

Verschillende fracties stemden in de Eerste Kamer tegen, terwijl zij eerder in de Tweede Kamer voor stemden. Uiteindelijk stemden alleen VVD, PVV, JA21 en SGP voor. Samen hebben zij 17 van de 75 zetels.

Tijdens het debat met minister Van Weel van Justitie en Veiligheid op 17 maart bleek dat de Eerste Kamer het eens was met de regering dat ondermijning van de rechtsstaat moet worden tegengegaan. Een deel van de Kamerleden betwijfelde of dit wetsvoorstel daarvoor het juiste middel is. Zij stelden vooral vragen bij de proportionaliteit en uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel. Er waren zorgen of dit middel in redelijke verhouding staat tot het doel.

Handhaving

Zowel burgemeesters als het Openbaar Ministerie (OM) hadden aangegeven dat zij de wet niet goed kunnen uitvoeren en handhaven. Ook vonden de Kamerleden het begrip ‘ondermijning’ onvoldoende onderbouwd. Voorstanders van het wetsvoorstel waren van mening dat de overheid met dit wetsvoorstel een instrument in handen zou hebben om tegen te gaan dat geldstromen uit onvrije en antiwesterse landen worden ingezet om de Nederlandse samenleving te ondermijnen.

Minister Van Weel zei dat er al geruime tijd zorgen bestaan over beïnvloeding van maatschappelijke organisaties in Nederland via geldstromen vanuit het buitenland. Dat kan een risico vormen voor de democratische rechtsstaat. Daarom wilde de regering daar gerichter zicht op krijgen en waar nodig kunnen ingrijpen. Het gaat hier dus niet om het aanpakken van de goede doelenorganisaties. Het gaat ook niet om organisaties, nationaal of internationaal, die kritisch zijn op de Nederlandse overheid. Hij was het met de Kamer eens dat er stevige waarborgen nodig zijn. Met de amendementen van de Tweede Kamer lag er volgens de minister een duidelijk, gekaderd wetsvoorstel.

Achtergrond

Het wetsvoorstel werd in november 2020 ingediend door het kabinet-Rutte III. Aanleiding was een onderzoek van een parlementaire commissie naar buitenlandse beïnvloeding. Die commissie concludeerde dat onder meer moskeeën en islamitische scholen financiering ontvangen uit onvrije landen, waarbij soms ook invloed wordt uitgeoefend die botst met Nederlandse waarden.

Met dit wetsvoorstel zouden maatschappelijke organisaties verplicht worden om inzicht te geven in donaties die afkomstig zijn van buiten de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte. Ook zouden stichtingen verplicht worden om hun balans en staat van baten en lasten te deponeren bij het handelsregister. Het wetsvoorstel had geen betrekking op politieke partijen.

Om buitenlandse beïnvloeding door donaties tegen te gaan, zouden de burgemeester, het openbaar ministerie en andere specifiek aangewezen overheidsinstanties de bevoegdheid krijgen om bij maatschappelijke organisaties – zoals stichtingen, verenigingen, kerkgenootschappen en buitenlandse rechtspersonen – gericht navraag te kunnen doen naar buitenlandse giften. Verder zouden stichtingen verplicht worden om financiële stukken voortaan te deponeren bij het handelsregister. Daarnaast zouden enkele toezichts- en handhavingsinstanties van de overheid toegang krijgen tot de in het handelsregister te deponeren balans en staat van baten en lasten van stichtingen.

Zorgen over te brede toepassing

Tegenstanders vreesden dat de wet te breed zou worden ingezet. Niet alleen religieuze organisaties, maar ook bijvoorbeeld protestgroepen of maatschappelijke organisaties zouden ermee te maken kunnen krijgen. Eerder strandde ook al een vergelijkbaar wetsvoorstel over zogenoemde ondermijnende organisaties.

Eerste Kamer, 24 maart 2026