NTFR 2026/549 - Geen ambtshalve toepassing van het Rentearrest
NTFR 2026/549 - Geen ambtshalve toepassing van het Rentearrest
1. Inleiding
Art. 1 onderdeel b Besluit belasting- en invorderingsrente bepaalde in 2022 en 2023 dat het belastingrentetarief voor de vennootschapsbelasting 8% bedraagt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 januari 2026 (het Rentearrest1) geoordeeld dat voor die ‘selectieve renteverhoging’ redelijke rechtvaardigingsgronden ontbreken en dat die bepaling in strijd is met het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel. Naar aanleiding van het Rentearrest is de vraag geopperd of rechters dat arrest ambtshalve moeten toepassen. Ik ben van mening dat dat niet het geval is en zal dit hierna toelichten.
2. Hoe zat het ook alweer?
De hoofdregel is dat belanghebbenden die het recht hebben beroep in te stellen bij een bestuursrechter tegen een besluit van een bestuursorgaan, eerst tegen dat besluit bezwaar moeten maken.2 Een belanghebbende maakt bezwaar door een bezwaarschrift in te dienen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen,3 en dat bezwaarschrift moet onder meer voldoen aan de eisen die art. 6:5 Awb daaraan stelt, waaronder een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht en de gronden van het bezwaar.
Belastingaanslagen, belastingrentebeschikkingen en boetebeschikkingen zijn allemaal voor bezwaar vatbare besluiten. Die besluiten worden allemaal afzonderlijk genomen, maar zijn in de praktijk allemaal terug te zien op het aanslagbiljet. Een aanslagbiljet waarop bijvoorbeeld staat vermeld dat de belastingplichtige € 1.000 vennootschapsbelasting verschuldigd is, € 80 belastingrente en een boete van € 200 betekent formeelrechtelijk dat de inspecteur drie besluiten heeft genomen, namelijk (1) een aanslag, (2) een belastingrentebeschikking en (3) een boetebeschikking. Als de belastingplichtige het niet eens is met alle drie de besluiten, dan moet hij in beginsel per besluit afzonderlijk bezwaar maken.
Om praktische redenen bepaalt art. 24a lid 1 AWR dat de belastingplichtige bij één bezwaarschrift tegen meerdere belastingaanslagen of voor bezwaar vatbare beschikkingen bezwaar kan maken. Vervolgens bepaalt art. 24a lid 2 AWR dat indien de bedragen van een belastingaanslag en van een voor bezwaar vatbare beschikking op één aanslagbiljet zijn vermeld, de voor bezwaar vatbare beschikking voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep geacht wordt onderdeel uit te maken van de belastingaanslag. Zodoende wordt een procedure tegen een belastingaanslag geacht mede betrekking te hebben op – in het voormelde voorbeeld – de belastingrentebeschikking van € 80 en de boetebeschikking van € 200.
3. De rechtsstrijd en de ambtshalve aanvulling
Formeelrechtelijk loopt de belastingrentebeschikking dus mee in een (bodem)procedure, omdat een procedure tegen de aanslag mede betrekking heeft op die (gelijktijdig) genomen beschikking. Dat betekent echter nog niet dat de belastingrechter vervolgens ambtshalve gehouden is de juistheid van die beschikking te beoordelen. De hoofdregel is dat hij uitspraak doet op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.4 Op die grondslag vult hij, om aan hetgeen partijen verdeeld houdt juridisch en feitelijk handelen voeten te geven, de rechtsgronden aan en kan hij daarnaast ambtshalve de feiten aanvullen.5
Een simpele stelling als ‘ik vind dat ik wel veel belastingrente moet betalen’ kan de belastingrechter al een haakje geven om in ieder geval vast te stellen dat belanghebbende het niet eens is met de in rekening gebrachte belastingrente. Dat zou hem vervolgens een ingang kunnen bieden om te oordelen dat de belastingrente is vastgesteld op grond van een onverbindende bepaling, onder verwijzing naar het Rentearrest. Als dat haakje niet in het dossier kan worden gevonden, dan zou de belastingrechter in het kader van het onderzoek ter zitting de vraag kunnen stellen of er ten aanzien van de in rekening gebrachte belastingrente nog geschilpunten zijn. Als belanghebbende die vraag bevestigend beantwoordt, of als de inspecteur uit eigen beweging de belastingrechter verzoekt om de in rekening gebrachte belastingrente te verminderen, dan kan de belastingrechter ook overgaan tot toepassing van het Rentearrest. En anders niet.
4. Kwestie van openbare orde
De belastingrechter is gehouden om kwesties van openbare orde ambtshalve te beoordelen. Zo moet hij bijvoorbeeld ambtshalve beoordelen of rechtsgeldig bezwaar is gemaakt6 en of het beroep ontvankelijk is, ongeacht of partijen daarover hebben geklaagd.
Het zal naar aanleiding van het Rentearrest in één oogopslag duidelijk zijn dat in procedures tegen de aanslagen Vpb 2022 en 2023 waarbij ook een belastingrentebeschikking is genomen, die rente op basis van een onverbindende bepaling is vastgesteld. Je zou kunnen stellen dat zo’n geval een kwestie van openbare orde is, zodat de belastingrechter gehouden is om ambtshalve over te gaan tot vermindering van die rente op grond van het Rentearrest. Ik vind niet dat die stelling juist is. Een vergelijking kan worden gemaakt met het onderscheid dat het Besluit proceskosten bestuursrecht maakte. Nog niet zo heel lang geleden maakte dat besluit onderscheid tussen de hoogte van de vergoeding per proceshandeling in belastingzaken ten opzichte van andere zaken voor de bezwaarfase. Voor belastingzaken gold in 2024 nog een vergoeding per proceshandeling van € 310, terwijl die vergoeding in de overige gevallen € 624 per punt bedroeg.7 Uit het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 20248 volgt dat, als gevolg van een gebrekkige motivering voor dat onderscheid, de vergoeding per punt moet worden vastgesteld overeenkomstig het hogere tarief. In zoverre is onderdeel B2, punt 1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht dus onverbindend.
Een maand nadat het voornoemde arrest werd gewezen, deed hof Den Haag uitspraak in een zaak, waarin het hoger beroep gegrond werd verklaard en bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding de reeds voor de bezwaarfase toegekende (lagere) vergoeding in stand werd gelaten.9 Belanghebbende klaagde hierover bij de Hoge Raad onder verwijzing naar het arrest van 12 juli 2024. De Hoge Raad oordeelde echter dat in een geval waarin voor de bezwaarfase een lagere vergoeding per punt was toegekend en daarover bij de rechtbank niet was geklaagd, het hof niet gehouden was om ambtshalve te onderzoeken of de inspecteur bij het vaststellen van de kosten voor de bezwaarfase de juiste waarde per punt had gehanteerd.10
Het voorgaande illustreert mijns inziens dat de omstandigheid dat een onverbindende bepaling is toegepast, nog niet betekent dat de rechter gehouden is die bepaling buiten toepassing te laten. Het kan dus geen kwestie van openbare orde zijn. Gerelateerd aan de belastingrentebeschikking betekent dat dus dat zolang belanghebbende niet klaagt over de in rekening gebrachte rente, de bestuursrechter ook niet gehouden is het Rentearrest ambtshalve toe te passen.
5. Wat gebeurt er in de praktijk?
Ik heb gekeken naar uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven van grofweg de afgelopen twee jaar waarin de inspecteur zowel een aanslag heeft opgelegd als een belastingrentebeschikking heeft genomen, waarbij geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd tegen die beschikking en het (hoger) beroep ongegrond is verklaard. Die uitspraken lijken veelal wel blijk te geven van een ambtshalve beoordeling van de belastingrentebeschikking.
De rechtbanken oordelen daarbij op gelijke wijze. Eerst wordt vastgesteld dat het beroep geacht wordt mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Vervolgens wordt vastgesteld dat belanghebbende daartegen geen zelfstandige gronden heeft aangevoerd en geoordeeld dat niet is gebleken dat de belastingrente onjuist is berekend.11 De toevoeging van de zinsnede ‘niet is gebleken’ geeft de indruk dat de belastingrentebeschikking ambtshalve is getoetst. Voor zover die ambtshalve toetsing beperkt is gebleven tot de grondslag waarover de belastingrente is berekend, vind ik die toets logisch. Immers, ook bij een gegrond beroep dat tot een vermindering van de aanslag leidt, zal de rechter de belastingrentebeschikking verminderen, ook al zijn tegen die beschikking geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Echter, de voormelde toevoeging is zo algemeen geformuleerd dat bij mij de indruk wordt gewekt dat rechtbanken de (impliciete) ambtshalve toets in ieder geval niet hebben beperkt tot de grondslag van de belastingrente.
Hetzelfde zie ik min of meer terugkomen in de uitspraken van de gerechtshoven, hoewel die uitspraken meer van elkaar verschillen dan de uitspraken van de rechtbanken. In de uitspraken van hof Arnhem-Leeuwarden staat regelmatig dat het hoger beroep wordt geacht betrekking te hebben op de belastingrente, dat daartegen geen zelfstandige grieven zijn aangevoerd en dat het hoger beroep in zoverre (ook) ongegrond is.12 Daarmee lijkt het dat hof Arnhem-Leeuwarden uitsluitend de juistheid van belastingrente beoordeelt op basis van de aangevoerde gronden, aangezien het oordeel (het hoger beroep is in zoverre ook ongegrond) uitsluitend volgt uit de vaststelling dat er geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd. Zie in vergelijkbare zin ook de uitspraken van hof Amsterdam,13 hoewel ik ook uitspraken van dit hof ben tegengekomen waarin is geoordeeld dat ‘gesteld noch gebleken is dat de belastingrente ten onrechte of naar een onjuist bedrag in rekening is gebracht’.14 Hetzelfde geldt voor de uitspraken van hof Den Haag,15 waarin soms ook expliciet wordt geoordeeld dat niet is gebleken dat de belastingrente is berekend ‘in strijd met de wettelijke bepalingen of enig andere rechtsregel of beginsel van behoorlijk bestuur’. Wat betreft hof Den Bosch zie ik dat wisselend wordt geoordeeld. Bij de uitspraken die sinds juli 2025 zijn gedaan, valt op dat bij het procesverloop en/of de feiten wel wordt vermeld dat belastingrente in rekening is gebracht, maar dat als de belanghebbende daartegen geen zelfstandige gronden heeft aangevoerd, er dan geen afzonderlijke overweging wordt gewijd aan de belastingrentebeschikking. Voor zover daaraan wel een overweging wordt gewijd, wordt, net als bij hof Amsterdam, de ene keer volstaan met de vaststelling dat daartegen geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd16 en de andere keer dat niet is gebleken dat die onjuist is berekend of vastgesteld.17