Vernietiging deelnemersboete belastingadviseur door gebrek aan bewijs en zorgvuldigheid
Vernietiging deelnemersboete belastingadviseur door gebrek aan bewijs en zorgvuldigheid
Gegevens
- Nummer
- 2026/479
- Publicatiedatum
- 30 maart 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Formeel belastingrecht
- Relevante informatie
Belanghebbende is belastingadviseur en naamgever van een belastingadvieskantoor dat in 2015 diensten verleent aan diverse vennootschappen binnen een internationale structuur met een aandeelhouder in Nederland en vennootschappen op Curaçao en in Nederland. Voor zijn werkzaamheden aan deze structuur schrijft belanghebbende in vijf jaar 70 uur, terwijl het kantoor in totaal ruim 1.000 uur factureert. De inspecteur legt aan belanghebbende een vergrijpboete op, stellende dat hij als feitelijk leidinggever, medepleger of medeplichtige betrokken is bij beboetbare gedragingen van drie Curaçaose vennootschappen, waarvoor navorderingsaanslagen zijn opgelegd wegens het niet doen van aangifte Vpb. In geschil is of de inspecteur terecht een deelnemersboete oplegt aan belanghebbende wegens betrokkenheid bij beboetbare feiten van de vennootschappen. De rechtbank oordeelt dat de toestemmingsprocedure voor het opleggen van de boete (art. 2 lid 6 BBBB) uitermate onzorgvuldig is verlopen. Het verzoek om toestemming bevat geen concrete feiten of omstandigheden over de rol van belanghebbende, maar slechts conclusies, en het rapport vestigingsplaatsonderzoek maakt onvoldoende onderscheid tussen het kantoor en belanghebbende persoonlijk. Relevante feiten, zoals het beperkte aantal door belanghebbende gedeclareerde uren en zijn geringe betrokkenheid bij investeringsbeslissingen, zijn niet vermeld. Hierdoor ontbreekt de waarborgfunctie van de toestemmingsprocedure en moet de boete reeds om deze reden worden vernietigd. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook materieel niet is bewezen dat belanghebbende als feitelijk leidinggever, medepleger of medeplichtige betrokken is bij een beboetbaar feit. De inspecteur heeft onvoldoende concreet bewijs aangedragen voor de stellingen dat belanghebbende op de hoogte was van, of actief betrokken was bij, de kernbeslissingen van de vennootschappen of het beleggingsbeleid. Uit het dossier volgt niet dat belanghebbende eindverantwoordelijk was binnen het kantoor of instructies gaf aan collega’s. Zijn betrokkenheid blijkt vooral uit een persoonlijke relatie met de aandeelhouder en enkele kwaliteitscontroles. De rechtbank acht niet bewezen dat belanghebbende opzet of grove schuld kan worden verweten, noch dat hij handelingen heeft verricht die als feitelijk leidinggeven, medeplegen of medeplichtigheid kwalificeren.
(Beroep gegrond.)