Vertrouwensbeginsel laat aftrek verhaalsbijstand als negatief loon in stand
Vertrouwensbeginsel laat aftrek verhaalsbijstand als negatief loon in stand
Gegevens
- Nummer
- 2026/481
- Publicatiedatum
- 30 maart 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Inkomstenbelasting diversen
- Relevante informatie
Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2016 een bedrag aan verhaalsbijstand van de gemeente als negatief loon heeft opgegeven. Dit bedrag betreft een jaarlijkse betaling aan de gemeente wegens bijstandsverhaal voor zijn ex-partner, met wie hij vier minderjarige kinderen heeft. In eerdere jaren (2014 en 2015) heeft belanghebbende vergelijkbare bedragen als negatief loon opgegeven, steeds onder vermelding van 'verhaalsbijstand Gemeente', en de inspecteur heeft de aanslagen telkens conform de aangiften opgelegd zonder aanvullende vragen. In 2016 legt de inspecteur aanvankelijk de aanslag conform de aangifte op, maar corrigeert dit later door een navorderingsaanslag, waarbij het bedrag aan negatief loon niet wordt geaccepteerd. In geschil is of belanghebbende met succes een beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel, zodat het opgegeven bedrag aan negatief loon alsnog moet worden geaccepteerd. Het hof oordeelt, in lijn met de rechtbank, dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. Het hof stelt vast dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag over 2014 expliciet navraag heeft gedaan naar de aard van de uitgaven en na ontvangst van duidelijke en juiste informatie van belanghebbende, waaronder een brief van de gemeente, het volledige bedrag als negatief loon heeft geaccepteerd. De inspecteur heeft ter zitting bevestigd dat hij de verstrekte informatie kritisch heeft beoordeeld. Ook over de jaren 2015 en 2016 zijn de aanslagen zonder verdere vragen conform de aangiften opgelegd. Het hof acht aannemelijk dat belanghebbende hierdoor mocht aannemen dat sprake was van een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur ten aanzien van de aftrek als negatief loon. De stelling van de inspecteur dat belanghebbende onjuiste informatie heeft verstrekt, verwerpt het hof, omdat de omschrijving en de onderliggende stukken ondubbelzinnig zijn. Het hof acht verder niet aannemelijk dat het gewekte vertrouwen is vervallen door de wetswijziging per 1 januari 2015, omdat de inspecteur het bedrag volledig heeft geaccepteerd en niet het forfaitaire bedrag dat bij levensonderhoud van kinderen zou horen. De grondslag voor de aftrek blijft onduidelijk, maar het hof komt niet toe aan de vraag of het standpunt van de inspecteur zo evident onjuist is dat belanghebbende niet op handhaving mocht rekenen. Het hof concludeert dat het opgewekte vertrouwen is geschonden door de navorderingsaanslag over 2016 en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
(Hoger beroep ongegrond.)