NOB: Voorgestelde fiscale behandeling ingeprijsd valutaresultaat deelnemingsvrijstelling vraagt aandacht

NOB: Voorgestelde fiscale behandeling ingeprijsd valutaresultaat deelnemingsvrijstelling vraagt aandacht

Gegevens

Nummer
2026/499
Publicatiedatum
1 april 2026
Auteur
Redactie
Rubriek
Vennootschapsbelasting/Dividendbelasting
Relevante informatie

De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs heeft gereageerd op de internetconsultatie over de aanpassing van de fiscale behandeling van het ingeprijsde valutaresultaat binnen de deelnemingsvrijstelling.

Het conceptwetsvoorstel beperkt het toepassingsbereik van artikel 13 lid 7 Wet VPB 1969 tot ‘niet-ingeprijsde’ voordelen. Dit betekent dat de ‘extra’ rente die samenhangt met een zwakkere valuta voortaan niet langer aftrekbaar is, terwijl het koersresultaat niet volledig onder de vrijstelling valt.

De NOB kan begrip opbrengen voor deze gedachte, maar constateert praktische en principiële bezwaren. Zo wordt opgemerkt dat de wijziging een budgettaire derving als gevolg van een arrest van de Hoge Raad wil oplossen en op gespannen voet staat met de inzet om het belastingstelsel te vereenvoudigen.

Complexiteit en uitvoerbaarheid

De NOB benadrukt dat het bepalen van het ingeprijsde valutaresultaat complex is. In de praktijk bestaan diverse instrumenten waarvan de prijs afhankelijk is van meerdere factoren, zoals valuta-opties of instrumenten met tussentijdse afwikkeling. Het ingeprijsde valutaresultaat is daardoor niet eenvoudig vast te stellen. Daarnaast leidt het bepalen van een vergelijkbare euro-rente volgens de NOB tot discussies en onzekerheid.

Onevenwichtigheid en rechtszekerheid

Volgens de NOB kan het voorstel leiden tot een mismatch: rente blijft aftrekbaar tijdens de looptijd, terwijl het valutaresultaat pas bij afwikkeling wordt belast. In combinatie met renteaftrekbeperkingen kan dit resulteren in belastingheffing over het ingeprijsde valutaresultaat, zelfs wanneer per saldo geen winst wordt behaald.

Ook wijst de NOB op het ontbreken van overgangsrecht voor bestaande instrumenten en de beperkte bezwaarmogelijkheid, wat kan leiden tot een periode van rechtsonzekerheid. Verder bestaat onduidelijkheid over het vereiste van een ‘volledig verzoek’, wat nadere toelichting vergt.

Alternatief voorstel

De NOB stelt voor om valuta-afdekinstrumenten van rechtswege onder de deelnemingsvrijstelling te brengen. Daarmee wordt een nieuw onderscheid tussen ingeprijsde en niet-ingeprijsde valutaresultaten vermeden en kan fiscale speculatie worden beperkt.

NOB, 30 maart 2026