Inspecteur handelt in vergaande mate onzorgvuldig door schending van art. 8:42 Awb
Inspecteur handelt in vergaande mate onzorgvuldig door schending van art. 8:42 Awb
Gegevens
- Nummer
- 2026/566
- Publicatiedatum
- 13 april 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Formeel belastingrecht
- Relevante informatie
Belanghebbende heeft een onderneming in het fokken van hondenpups. Naar aanleiding van een door een Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC) ingesteld onderzoek naar de onderneming en een hondenkennel van een familielid, is in januari 2016 tegen belanghebbende een strafrechtelijk onderzoek geopend. De officier van justitie (OvJ) heeft de gegevens uit dit onderzoek verstrekt aan de inspecteur. De inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld en geconcludeerd dat de administratie gebrekkig is. Gelet daarop heeft de inspecteur de omzet aan de hand van een theoretische benadering berekend en navorderingsaanslagen IB/PVV en naheffingsaanslagen OB opgelegd. In mei 2022 heeft de OvJ aan belanghebbende bericht dat zij niet zal worden vervolgd. In de belastingprocedure heeft belanghebbende zowel voor de rechtbank als voor het hof verzocht om overlegging van de RIEC-stukken. De inspecteur heeft steeds ontkend dat die stukken hem ter beschikking hebben gestaan. Naar aanleiding van een Woo-verzoek is tijdens de cassatieprocedure gebleken dat de inspecteur de RIEC-stukken toch in zijn bezit had, waarna de staatssecretaris deze op de voet van art. 8:42 Awb alsnog aan belanghebbende heeft verstrekt. De Hoge Raad ziet daarin aanleiding de hofuitspraak te vernietigen en de zaak te verwijzen naar hof Arnhem-Leeuwarden. Verder merkt de Hoge Raad deze gang van zaken aan als een in vergaande mate onzorgvuldig handelen van de inspecteur en ziet daarin aanleiding om voor de cassatieprocedure een bovenforfaitaire proceskostenvergoeding van € 15.000 toe te kennen.