Beperking proceskostenvergoeding in BPM-zaak, omdat gemachtigde niet bewijs levert dat hij geen no-cure-no-paybureau is
Beperking proceskostenvergoeding in BPM-zaak, omdat gemachtigde niet bewijs levert dat hij geen no-cure-no-paybureau is
Gegevens
- Nummer
- 2026/571
- Publicatiedatum
- 13 april 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Formeel belastingrecht
- Relevante informatie
In onderhavige BPM-procedure heeft de Hoge Raad in zijn tussenarrest van 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:92, beslist dat de hofuitspraak niet in stand kan blijven. Voor de vergoeding van proceskosten voor de cassatieprocedure is in art. 19a BPM bepaald dat een vermenigvuldigingsfactor van 0,10 moet worden toegepast. In zijn arrest van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46, ) heeft de Hoge Raad echter geoordeeld dat deze beperking van de proceskostenvergoeding alleen geldt voor de zogenoemde no-cure-no-paybureaus waarvan het bedrijfsmodel voldoet aan drie kenmerken. Om die reden heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 23 januari 2026 belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat zijn gemachtigde Verhoeven niet als een dergelijk bureau kan worden aangemerkt. Belanghebbende heeft in dat verband aangevoerd dat met toepassing van art. 19a BPM het Unierecht wordt geschonden en daarom buiten toepassing moet blijven. Volgens de Hoge Raad is belanghebbende daarmee niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd, zodat in dit eindarrest de proceskostenvergoeding voor de cassatieprocedure is vastgesteld op 0,10 x € 934 x 4,5 punten (cassatieberoepschrift (2 punten), repliek (2 punten) en schriftelijke inlichtingen (0,5 punt)) x 1 (gewicht), oftewel € 421. Verder herstelt de Hoge Raad nog twee omissies uit het arrest van 23 januari 2026.
(Volgt gegrondverklaring.)