Managementvergoeding is genoten en belast als ROW
Managementvergoeding is genoten en belast als ROW
Gegevens
- Nummer
- 2026/586
- Publicatiedatum
- 15 april 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Arbeid, loon en resultaat
- Relevante informatie
Belanghebbende werkt in 2014, 2015 en 2016 als ‘direktor’ voor een bedrijf, waarvoor een managementvergoeding van € 8.000 per maand is overeengekomen. Deze vergoeding wordt in 2014 en deels in 2015 in de rekening-courant van belanghebbende geboekt. In de overeenkomst staat dat belanghebbende tot een door het bedrijf te bepalen nader tijdstip geen daadwerkelijk beroep op uitbetaling van de management fee kan doen. Belanghebbende ontvangt in deze jaren betalingen op zijn privérekening afkomstig van de door het bedrijf gebruikte bankrekening. In zijn aangiften IB/PVV voor 2014, 2015 en 2016 geeft belanghebbende een inkomen uit vroegere dienstbetrekking van € 5.700 per jaar aan. De inspecteur legt navorderingsaanslagen op, waarbij het inkomen wordt gecorrigeerd met € 96.000 per jaar als resultaat uit overige werkzaamheden.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur geen beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden door gebruik te maken van stukken uit een strafrechtelijk onderzoek. Er zijn geen aanwijzingen dat het bewijs onrechtmatig is verkregen. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende in zijn aangiften geen rekening heeft gehouden met het ROW van € 96.000 per jaar, terwijl hij daarover beschikte en wist dat dit tot het inkomen moest worden gerekend. De management fee is volgens de rechtbank een voordeel uit overige werkzaamheden en moet op grond van art. 3.94 en 3.95 Wet IB 2001 worden toegerekend aan het jaar waarin het recht op de vergoeding ontstaat, ongeacht of deze daadwerkelijk is uitbetaald. Ook voor ROW gelden de regels van goed koopmansgebruik en het kasstelsel is daarom niet van toepassing.
Omdat de aangiften een aanzienlijk lager bedrag aan belasting opleveren dan verschuldigd, en belanghebbende zich hiervan bewust was, wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. De rechtbank acht de correctie van € 96.000 per jaar niet willekeurig, omdat deze is gebaseerd op de schriftelijke overeenkomst en de feitelijke betalingen. Belanghebbende slaagt er niet in overtuigend tegenbewijs te leveren.
(Beroepen ongegrond.)