Veel procederende gemachtigde procedeert in strijd met goede procesorde, maar heeft wel recht op ISV; WOZ-waarde niet te hoog
Veel procederende gemachtigde procedeert in strijd met goede procesorde, maar heeft wel recht op ISV; WOZ-waarde niet te hoog
Gegevens
- Nummer
- 2026/587
- Publicatiedatum
- 15 april 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- WOZ
- Relevante informatie
Belanghebbende is eigenaar van een winkelpand van circa 760 m2 in het centrum van de plaats Y. De heffingsambtenaar stelt de WOZ-waarde voor 2021 vast op € 1.143.000. Belanghebbende maakt bezwaar tegen deze waarde en de OZB-aanslag, waarna de heffingsambtenaar het bezwaar afwijst. In beroep voert belanghebbende diverse gronden aan, waaronder de geschiktheid van vergelijkingsobjecten, de onderhoudssituatie van het pand, lokale verpaupering en de invloed van externe omstandigheden zoals corona. Ook verzoekt hij om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In geschil is of de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en of het verzoek om vergoeding van immateriële schade terecht is afgewezen.
Het hof oordeelt vooraf dat de wijze van procederen van de gemachtigde, een beroepsmatige rechtsbijstandsverlener die veel procedeert, niet voldoet aan de norm wat van een dergelijke gemachtigde mag worden verwacht. De stukken staan vol van algemene, weinig inhoudelijke, dikwijls onsamenhangende en/of inconsistente en/of fragmentarische stellingen en beweringen. Het zijn stellingen die standaard worden aangevoerd en zonder ook maar enige feitelijke onderbouwing, aldus het hof. Dit alles is in strijd met de goede procesorde. Het hof gaat daarom slechts beperkt in op hetgeen door gemachtigde is aangevoerd.
Het hof volgt het oordeel van de rechtbank dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde op juiste wijze heeft vastgesteld met de huurwaardekapitalisatiemethode, onderbouwd met marktgegevens van vergelijkbare objecten in dezelfde straat. De door belanghebbende aangevoerde huurprijzen uit 2014 en 2025 zijn minder relevant, omdat ze verder van de waardepeildatum liggen. De door belanghebbende genoemde afwijkingen in oppervlakte en andere factoren zijn marginaal en doen niet af aan de ruime marge die de heffingsambtenaar hanteert bij de waardebepaling. Het hof acht de WOZ-waarde niet te hoog vastgesteld.
De redelijke termijn was in bezwaar en beroep met ruim negen maanden overschreden. Ten aanzien van het verzoek om immateriëleschadevergoeding, met name de afwezigheid van een belang bij compensatie voor spanning en frustratie aan de zijde van belanghebbende, oordeelt het hof anders dan de rechtbank. Het hof verwijst naar HR 8 augustus 2025, , en stelt dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 1.000, ongeacht de bestemming van de vergoeding volgens de machtiging.
(Hoger beroep gegrond.)