Gebouwen verslavingskliniek vormen één complex waarop woondelenvrijstelling niet op van toepassing is

Gebouwen verslavingskliniek vormen één complex waarop woondelenvrijstelling niet op van toepassing is

Gegevens

Nummer
2026/589
Publicatiedatum
15 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:674
Rubriek
WOZ
Relevante informatie

Belanghebbende exploiteert een verslavingskliniek bestaande uit twee gebouwen op een perceel van ruim 10.000 m2. Gebouw 1 fungeert als woongebouw voor cliënten, gebouw 2 bevat kantoor- en praktijkruimtes en een gymzaal. De heffingsambtenaar bepleit in (hoger) beroep een WOZ-waarde van € 5.159.000, onderbouwd met een taxatierapport op basis van de Taxatiewijzer Ziekenhuizen. Belanghebbende brengt een eigen taxatierapport in, waarin een lagere waarde wordt verdedigd en wordt gesteld dat 58,2% van de delen als woondelen moeten worden aangemerkt en dus zijn vrijgesteld van OZB. In geschil is of de WOZ-waarde van de onroerende zaak te hoog is vastgesteld en of de woondelenvrijstelling van art. 220e Gemw van toepassing is.

Het hof oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en volgt het oordeel van de rechtbank. Het hof acht het juist dat voor beide gebouwen de Taxatiewijzer Ziekenhuizen, archetype centrum voor verslavingszorg, als uitgangspunt is genomen. Gebouwen 1 en 2 vormen volgens het hof één complex, omdat gebouw 2 qua gebruik en functie integraal onderdeel vormt van het zorgcomplex. Gebouw 2 heeft op de begane grond therapie en kantoorruimtes. Voor het bieden van verslavingshulp is het noodzakelijk dat personeel kantoorruimte en behandelruimte ter beschikking heeft. De waardering van de grond en opstallen is volgens het hof zorgvuldig onderbouwd. De splitsing van de grondwaarde en de toegepaste kengetallen sluiten aan bij het feitelijke gebruik en de markt. Belanghebbende slaagt er niet in aannemelijk te maken dat een lagere waarde gerechtvaardigd is.

Voor de woondelenvrijstelling overweegt het hof dat het feitelijk gebruik van de onroerende zaak doorslaggevend is. Het verblijf van cliënten is tijdelijk, niet duurzaam en ondergeschikt aan het hoofddoel van zorgverlening, zodat geen delen in hoofdzaak tot woning dienen in de zin van art. 220e Gemw. Het hof wijst het beroep op de woondelenvrijstelling af en bevestigt dat de aanslag OZB gebruiker terecht is gebaseerd op de volledige WOZ-waarde.

(Hoger beroep ongegrond.)