Geen belastingrente bij tijdig verzoek voorlopige aanslag erfbelasting

Geen belastingrente bij tijdig verzoek voorlopige aanslag erfbelasting

Gegevens

Nummer
2026/590
Publicatiedatum
15 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6245
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

Belanghebbende is erfgenaam van haar in 2023 overleden moeder en wordt samen met haar zuster tot de nalatenschap geroepen. Zij ontvangt een uitnodiging om aangifte erfbelasting te doen en dient, kort na afloop van de aangiftetermijn, een verzoek in om een voorlopige aanslag, waarbij zij het vermoedelijke verschuldigde bedrag vermeldt. De inspecteur legt vervolgens een voorlopige aanslag erfbelasting op en brengt daarbij belastingrente in rekening. In geschil is of de inspecteur terecht belastingrente in rekening heeft gebracht. Meer specifiek gaat het om de vraag of het verzoek om een voorlopige aanslag tijdig is gedaan in de zin van art. 30g lid 4 AWR. De rechtbank stelt vast dat art. 30g lid 4 AWR bepaalt dat geen belastingrente wordt berekend als het verzoek om een voorlopige aanslag is ontvangen vóór de eerste dag van de negende maand na het overlijden. De rechtbank analyseert de taalkundige betekenis van deze bepaling en concludeert dat deze ziet op de eerste dag van de negende maand die volgt op de maand van overlijden en niet op een termijn van acht maanden na het overlijden. De inspecteur beroept zich op de parlementaire toelichting, maar de rechtbank acht deze niet eenduidig en onvoldoende om af te wijken van de duidelijke wettekst. De rechtbank kiest daarom voor de letterlijke tekst van de wet en oordeelt dat het verzoek tijdig is ingediend, zodat geen belastingrente verschuldigd is.

(Beroep gegrond.)