Geen btw-vrijstelling voor beheersdiensten aan pensioenfondsen met verschillende regelingen

Geen btw-vrijstelling voor beheersdiensten aan pensioenfondsen met verschillende regelingen

Gegevens

Nummer
2026/591
Publicatiedatum
15 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:2034
Rubriek
Omzetbelasting
Relevante informatie

Belanghebbenden verrichten beheersdiensten aan verschillende pensioenfondsen en heeft hierover in meerdere tijdvakken omzetbelasting voldaan. De diensten worden verricht aan pensioenfondsen die zowel een collectieve beschikbare premieregeling (CDC‑regeling) als een beschikbare premieregeling (DC‑regeling) uitvoeren. De CDC‑regelingen bestaan uit collectieve middelloonregelingen met voorwaardelijke indexatie. In de DC-regelingen bouwen deelnemers in de opbouwfase een pensioenkapitaal op dat wordt belegd. In geschil is of deze beheersdiensten zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van art. 11 lid 1 onderdeel i sub 3 Wet OB 1968, omdat de betrokken pensioenregelingen (deels) zouden kwalificeren als gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Daarbij speelt zowel de vraag of een CDC-regeling als beleggingsfonds kan worden aangemerkt, als de vraag of voor DC-regelingen de vrijstelling kan gelden in de uitkeringsfase. De rechtbank overweegt dat voor toepassing van de vrijstelling is vereist dat de deelnemers het beleggingsrisico dragen. Volgens het BPL Pensioen-arrest van het HvJ (5 september 2024, ECLI:EU:C:2024:688, NTFR 2024/2033) is daarvan sprake als de hoogte van de pensioenrechten of -uitkeringen in de eerste plaats afhankelijk is van de beleggingsresultaten. In CDC-regelingen zijn de aanspraken echter primair gebaseerd op arbeidsinkomen en diensttijd en niet op beleggingsresultaten. Ook volgt uit het arrest dat financiering uit beleggingsopbrengsten op zichzelf niet betekent dat deelnemers het beleggingsrisico dragen. De rechtbank oordeelt dat deelnemers in CDC-regelingen geen beleggingsrisico lopen dat vergelijkbaar is met dat van deelnemers in een beleggingsfonds. De stichting, die een CDC-regeling uitvoert, kwalificeert daarom niet als een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Ten aanzien van DC-regelingen staat vast dat in de opbouwfase het beleggingsrisico bij de deelnemers ligt en het beheer van het vermogen in die fase onder de vrijstelling valt. In de uitkeringsfase is het pensioen echter verzekerd in eigen beheer en is de uitkering niet primair afhankelijk van beleggingsresultaten. Het risico ligt dan bij het fonds. De rechtbank verwerpt het standpunt dat de vrijstelling gedeeltelijk kan worden toegepast. Belanghebbende verricht één ondeelbare, allesomvattende beheersdienst voor alle pensioenregelingen van een fonds, waarvoor één vergoeding wordt berekend. Volgens vaste rechtspraak, waaronder het Blackrock-arrest van het HvJ (2 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:513, NTFR 2020/2194), kunnen dergelijke geïntegreerde prestaties niet worden gesplitst in afzonderlijke componenten met verschillende fiscale kwalificaties. Splitsing van de vergoeding zou bovendien de reikwijdte van de vrijstelling onterecht uitbreiden. Ook uit door belanghebbende aangehaalde brieven van de inspecteur kan geen vertrouwen worden ontleend dat een gesplitste toepassing van de vrijstelling mogelijk zou zijn. Het beroep op het neutraliteitsbeginsel slaagt evenmin, omdat de positie van deelnemers in een CDC-regeling wezenlijk verschilt van die in individuele DC-regelingen, waar het beleggingsrisico wel bij de deelnemers ligt.

(Beroep ongegrond.)