Afwaardering vordering beheerstichting toegestaan door onrechtmatige onttrekkingen
Afwaardering vordering beheerstichting toegestaan door onrechtmatige onttrekkingen
Gegevens
- Nummer
- 2026/600
- Publicatiedatum
- 16 april 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Vennootschapsbelasting/Dividendbelasting
- Relevante informatie
Belanghebbende is een bv die is opgericht als investeringsvehikel voor onroerendgoedprojecten in Latijns‑Amerika. Investeerders nemen deel via certificaten van aandelen en storten hun inleg op grond van een inschrijfformulier op de rekening van een Nederlandse beheerstichting, omdat belanghebbende ten tijde van de investeringen nog niet over een eigen bankrekening beschikte. De beheerstichting beheerde deze gelden ten behoeve van belanghebbende en maakte op instructie van belanghebbende een deel van het geld over naar een Braziliaanse dochtervennootschap. In de jaarrekening van belanghebbende zijn de ontvangen bedragen geboekt als vooruitontvangen aandelenkapitaal aan de passivazijde en als een rekening‑courantvordering op de beheerstichting aan de activazijde. Door onrechtmatige onttrekkingen door de bestuurder van de beheerstichting is een aanzienlijk deel van de gelden niet meer beschikbaar en is de stichting niet in staat het volledige bedrag aan belanghebbende over te maken. Civielrechtelijk is vastgesteld dat sprake is van onrechtmatig handelen en aansprakelijkheid, maar vanwege faillissementen is daadwerkelijke schadevergoeding uitgebleven. In geschil is of belanghebbende een vordering heeft op de beheerstichting en of deze vordering ten laste van het resultaat kan worden afgewaardeerd. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende een vordering heeft op de beheerstichting. Uit het inschrijfformulier, de juridische documentatie, de feitelijke gang van zaken en de boekhoudkundige verwerking volgt dat de door investeerders gestorte gelden waren bestemd voor kapitaalstorting in belanghebbende en dat de beheerstichting deze gelden voor en ten behoeve van belanghebbende hield. Belanghebbende heeft over de gelden beschikt als ware het haar eigen geld, zodat de vordering ontstaat op het moment van storting door de investeerders. Het ontbreken van een akte van cessie staat hieraan niet in de weg. Het standpunt van de inspecteur dat de vordering bij het administratiekantoor zou liggen wordt verworpen. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of sprake is van een onzakelijke lening. De rechtbank overweegt dat het gebruik van een beheerstichting bij dergelijke investeringsstructuren niet ongebruikelijk is en dat op het moment van de geldstortingen geen sprake was van verbondenheid, onregelmatigheden of twijfel aan de betrouwbaarheid van de stichting. De bewijslast rust op de inspecteur, die niet aannemelijk maakt dat een debiteurenrisico is aanvaard uit aandeelhoudersmotieven. Van een onzakelijke lening is daarom geen sprake. De vordering is onvolwaardig geworden door de onrechtmatige onttrekkingen en het risico op niet‑aflossing was in het betreffende jaar voldoende duidelijk. Belanghebbende mag de vordering op de beheerstichting daarom ten laste van het resultaat afwaarderen.
(Beroep gegrond.)