Inschrijfgelden collectieve claim tegen loterijorganisatie belast met btw
Inschrijfgelden collectieve claim tegen loterijorganisatie belast met btw
Gegevens
- Nummer
- 2026/602
- Publicatiedatum
- 16 april 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Omzetbelasting
- Relevante informatie
Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, bestaande uit twee bv’s. Eén daarvan verleent in 2015 juridische bijstand aan gedupeerden van kansspelen. In het eerste kwartaal van 2015 sluiten deze bv en een stichting overeenkomsten met nieuwe deelnemers, die inschrijfgeld betalen om te worden vertegenwoordigd in onderhandelingen met een loterijorganisatie over schadevergoeding wegens misleidende mededelingen. De bv verplaatst haar statutaire zetel per 30 maart 2015 naar het buitenland, maar de omzet waarop de naheffingsaanslag ziet, is in Nederland gerealiseerd. De inspecteur legt een naheffingsaanslag op over de ontvangen inschrijfgelden, omdat sprake is van belaste prestaties. In geschil is of over de inschrijfgelden omzetbelasting is verschuldigd, en zo ja, of de plaats van dienst Nederland is. De rechtbank overweegt dat sprake is van een economische activiteit in de zin van de BTW-richtlijn en de Wet OB 1968, omdat de bv tegen vergoeding diensten verricht aan individuele deelnemers. De inschrijfgelden staan in rechtstreeks verband met de dienstverlening. Deelnemers betalen om door de bv te worden vertegenwoordigd in onderhandelingen over schadevergoeding, waarbij de omvang van het inschrijfgeld samenhangt met het individuele belang. Dat de dienstverlening collectief wordt aangeduid, doet niet af aan het individuele karakter van de belangenbehartiging. De situatie wijkt af van jurisprudentie over verenigingen die op eigen initiatief collectieve acties voeren zonder rechtstreekse vergoeding van leden. De rechtbank oordeelt dat het niet relevant is dat de onderhandelingen uiteindelijk niet tot schadevergoeding hebben geleid, omdat de bv slechts een inspanningsverplichting had. Ten aanzien van de plaats van dienst stelt de rechtbank vast dat de bv in het eerste kwartaal van 2015 in Nederland is gevestigd. De enkele statutaire zetelverplaatsing per 30 maart 2015 is onvoldoende om aan te nemen dat de centrale leiding zich buiten Nederland bevond. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de omzet na de zetelverplaatsing is gerealiseerd of dat sprake is van vooruitbetalingen voor latere diensten. De rechtbank verwerpt het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat sprake is van gelijke gevallen.
(Beroep ongegrond.)