Geen ‘oprenting’ bij goederenrechtelijke vordering en geen partnervrijstelling voor zoon
Geen ‘oprenting’ bij goederenrechtelijke vordering en geen partnervrijstelling voor zoon
Gegevens
- Nummer
- 2026/612
- Publicatiedatum
- 17 april 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Successiewet
- Relevante informatie
Erflater is overleden in 1995, zijn echtgenote (erflaatster) in 2019. Zij waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en hadden twee kinderen: belanghebbende en zijn broer. Bij testament heeft erflater erflaatster tot zijn enig erfgenaam benoemd. Belanghebbende en zijn broer hebben een beroep gedaan op hun legitieme portie. Tot de nalatenschap behoorde het aandeel van erflater in de echtelijke woning. Erflaatster woonde tot haar overlijden samen met belanghebbende in de woning. Belanghebbende en zijn broer zijn de erfgenamen van erflaatster. De inspecteur is ervan uitgegaan dat, in verband met het beroep op de legitieme portie in de nalatenschap van erflater, op de nalatenschap van erflaatster een ‘schuldig gebleven erfdeel’ in mindering komt van € 73.446 inclusief rente. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende als zoon van erflaatster geen recht op de partnervrijstelling.
Hof Den Haag heeft een eigen berekening van de omvang van de nalatenschap van erflaatster gemaakt. Op grond hiervan heeft het hof geconcludeerd dat de aanslag bij de uitspraak op bezwaar eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Het hof heeft verder het beroep van belanghebbende op toepassing van de partnervrijstelling verworpen. Belanghebbende heeft cassatieberoep aangetekend.
De cassatieklacht van belanghebbende dat oprenting had moeten plaatsvinden faalt. Het hof heeft namelijk terecht aangenomen dat belanghebbende en zijn broer door het inroepen van de legitieme portie op grond van het oude recht (tot 1 januari 2003) een goederenrechtelijke aanspraak hebben gekregen en niet een vorderingsrecht op erflaatster. Verder acht de Hoge Raad het oordeel van het hof dat belanghebbende geen vorderingsrecht op erflaatster wegens overbedeling heeft verkregen en dat dus geen rente daarover behoort te worden berekend, cassatieproof. Oprenting is dus niet aan de orde. De Hoge Raad merkt daarbij nog op dat in het testament van erflater geen ouderlijke boedelverdeling is gemaakt.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof bij de vaststelling van de omvang van de nalatenschap van erflaatster op de juiste wijze rekening heeft gehouden met de goederenrechtelijke aanspraak van belanghebbende en zijn broer door € 65.555 in mindering te brengen op de waarde van de woning ten tijde van het overlijden van erflaatster. De Hoge Raad merkt hierbij op dat de goederenrechtelijke aanspraak van belanghebbende en zijn broer in de nalatenschap van erflater ten tijde van het overlijden van erflaatster in 2019, gelet op art. 128 Overgangswet NBW en anders dan het hof heeft geoordeeld, niet was uitgewerkt. Het onjuiste oordeel van het hof heeft echter geen invloed gehad op zijn beslissing over de omvang van de nalatenschap van erflaatster. De stelling van belanghebbende dat het in strijd is met art. 14 EVRM dat een bloedverwant in de rechte lijn niet in aanmerking komt voor de partnervrijstelling, wordt door de Hoge Raad verworpen onder verwijzing naar de onderdelen 8.28 en 8.29 van de conclusie van de A-G in deze zaak.
(Cassatieberoep ongegrond.)